ECLI:NL:CRVB:2015:4900

ECLI:NL:CRVB:2015:4900, Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015, 14/3217 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 11-12-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/3217 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0019057

Samenvatting

Terecht oordeel rechtbank dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de aangescherpte FML. In hoger beroep is een functie vervallen en een nieuwe functie aan de schatting ten grondslag gelegd. Door de arbeidsdeskundige is in het aangevulde rapport inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de belasting in die functie de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Aanleiding veroordeling proceskosten.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2013 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 juli 2013 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de beschikbare objectief-medische gegevens niet tot de conclusie kunnen leiden dat met betrekking tot de datum in geding ten aanzien van appellant te geringe beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij helder en afdoende gemotiveerd dat met de toegekende beperkingen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren in voldoende mate rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant. Wat betreft de lichamelijke klachten volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar conclusie dat bij appellant - gelet op het ontbreken van een objectiveerbaar medisch substraat - sprake is van een sterke somatisering waarbij hij gefixeerd is op die lichamelijke klachten. Steun voor die conclusie is te vinden in de beschikbare medische informatie van de behandelende sector en het rapport van de door het Uwv ingeschakelde psychiater W.M.J. Hassing. De rechtbank onderschrijft de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant meer belemmeringen beleeft dan op objectieve grond kunnen worden aangenomen. Appellant heeft daardoor meer benutbare mogelijkheden dan hij zelf ervaart. Die verzekeringsarts heeft in de informatie van de curatieve sector wel aanleiding gezien om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

14 mei 2013 op een aantal punten aan te passen. De aangevoerde gronden tegen de voorgehouden functies zijn terug te voeren tot medische gronden tegen de FML. Terecht benadrukt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat alleen de beperkingen genoemd in de stukken van verzekeringsgeneeskundige aard bij de arbeidskundige beoordeling maatgevend zijn. De belastbaarheid van de voorgehouden functies past binnen de opgestelde FML. Daarbij is door de arbeidsdeskundige ook afdoende gemotiveerd waarom deze functies passen binnen de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Appellant kan met het vervullen van die functies een zodanig inkomen verwerven dat in vergelijking met het maatmaninkomen het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt. Het Uwv heeft terecht geen uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van zijn psychische en lichamelijke klachten verder beperkt is dan door het Uwv aangenomen. Zijn psychische en lichamelijke klachten zijn van dien aard en ernst dat functioneren in de op grond van de FML geselecteerde functies illusoir is. Appellant is lichamelijk, geestelijk en sociaal zeer beperkt in zijn handelen.

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van hetgeen appellant in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard.

De rechtbank is terecht van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de door haar aangescherpte FML van 29 oktober 2013. De in hoger beroep overgelegde uitkomsten van het ten tijde van de zitting van de rechtbank aangekondigde slaaponderzoek zijn, gelet op het tijdstip van dat onderzoek, juli 2014 - niet doorslaggevend voor de arbeidsbeperkingen op de datum die in dit geding van belang is, 22 juli 2013.

Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de voorbeeldfuncties van “Medewerker intern transport” (SBC-code 111220) en “Snackbereider” (SBC-code 111071) die door de arbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van 19 november 2013 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd ook in medisch opzicht geschikt voor appellant. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd een nadere reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functie “Samensteller kunststof en rubberindustrie” (SBC-code 271130) - wegens de overschrijding op het aspect duwen/trekken - alsnog ongeschikt geacht. Die arbeidsdeskundige heeft in hoger beroep de functie van “Soldering technican” (SBC-code 111180) aan de schatting ten grondslag gelegd. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 19 november 2013, aangevuld bij rapport van 26 oktober 2015, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de belasting in die functie ook in het licht van de daarbij vermelde signaleringen de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

11 december 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NK

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?