ECLI:NL:CRVB:2015:4938

ECLI:NL:CRVB:2015:4938, Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015, 13/6396 ZVW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-12-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/6396 ZVW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0018450 CELEX:31971R1408 CELEX:32004R0883 EU:31971R1408 EU:32004R0883

Samenvatting

Vaststelling inkomensgegeven als authentiek gegeven.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant woont in Duitsland en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, pensioen van de [stichting] en een lijfrente-uitkering van Interpolis. Ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) is hij als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij tot 1 mei 2010 op grond van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo. 883/2004) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor de kosten van die zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering (Regeling) een bijdrage (de buitenlandbijdrage) in rekening gebracht.

Cvz heeft appellant op 12 augustus 2012 een voorlopige jaarafrekening voor het jaar 2010 toegezonden. Daarin is beslist dat de buitenlandbijdrage op € 4.389,33 is vastgesteld. Na verrekening van inhoudingen resulteerde dit in een door appellant nog te betalen bedrag van € 1.051,63. Op 30 augustus 2012 heeft Cvz appellant een voorlopige jaarafrekening voor het jaar 2011 toegezonden. Daarin is beslist dat de buitenlandbijdrage op € 4.691,27 is vastgesteld. Na verrekening van inhoudingen resulteerde dit in een door appellant nog te betalen bedrag van € 1.182,75.

Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2013 (bestreden besluit) heeft Cvz de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de grond dat de wetgeving waarop Cvz het bestreden besluit heeft gebaseerd onrechtmatig is, verworpen. Appellant heeft niet onderbouwd waarom de Zvw in strijd is met Vo. 1408/71 en Vo. 883/2004. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 14 oktober 2010, ECLI:EU:C:2010:610, heeft de rechtbank het beroep op het keuzerecht verworpen. De rechtbank heeft geoordeeld dat Cvz bevoegd was om de buitenlandbijdrage op de uitkeringen van appellant in te (laten) houden. Appellant heeft niet cijfermatig onderbouwd dat de berekening van de buitenlandbijdragen onjuist is. De rechtbank heeft vastgesteld dat het inkomen dat bij de berekening wordt gebruikt het wereldinkomen van appellant is zoals dit blijkt uit kenbare bronnen als jaaropgaven, uitkeringsspecificaties of uit een beschikking van de Belastingdienst en dat geen sprake is van schending van de persoonlijke levenssfeer.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij zijn bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden gedeeltelijk herhaald. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de buitenlandbijdrage ten onrechte (mede) wordt berekend over de door hem genoten uitkeringen van Interpolis. Deze uitkeringen behoren volgens appellant tot zijn vermogen en niet tot zijn belastbaar loon. Verder heeft hij naar voren gebracht dat Cvz gebruik heeft gemaakt van illegaal van de Belastingdienst verkregen informatie. Zijn persoonlijke levenssfeer is geschonden doordat de Belastingdienst gegevens over zijn inkomen aan Cvz heeft verstrekt. Ten slotte verzoekt hij Cvz op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een gedetailleerd overzicht te verstrekken waaraan de van hem geïnde gelden zijn besteed.

Cvz heeft volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit en het verweerschrift in eerste aanleg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In zijn uitspraak van 1 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7671, heeft de Raad onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof geoordeeld dat Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van kosten van zorg in het woonland. Daarom mag Nederland op grond van artikel 69 van de Zvw in verband met artikel 33 van Vo. 1408/71 dan wel de daarmee overeenkomende bepaling van Vo. 883/2004 een bijdrage heffen over, dan wel (laten) inhouden op, pensioen- en lijfrente-uitkeringen van appellant. Het heffen van een buitenlandbijdrage is geen ongelijke behandeling die onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht (zie rechtsoverwegingen 4.3 en 4.7 van deze uitspraak).

Cvz heeft de buitenlandbijdrage berekend overeenkomstig de bepalingen van de Zvw en Hoofdstuk 5 van de Regeling en is daarbij uitgegaan van het inkomensgegeven dat als authentiek gegeven als bedoeld in artikel 21a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op hem betrekking had. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is in de Zvw en de Regeling dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden (uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2579). Noch de Zvw noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.

Appellant heeft gesteld dat voor de berekening van de buitenlandbijdrage ten onrechte de lijfrente-uitkering in het belastbaar loon is begrepen. Daarmee komt appellant op tegen de vaststelling van het inkomensgegeven als authentiek gegeven. Op grond van artikel 21k, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan appellant de vaststelling van het inkomensgegeven voorleggen aan de inspecteur van de Belastingdienst. Het behoort tot de bevoegdheid van deze inspecteur om te bepalen wat de hoogte van het belastbaar loon van appellant over 2010 en 2011 is. Tegen de beschikking van de inspecteur staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep bij de belastingrechter open. Dit betekent dat voor de bestuursrechter (op het gebied van de sociale zekerheid) hier geen taak overblijft.

Het op grond van de Wob gedane verzoek van appellant om verstrekking door Cvz van een gedetailleerd overzicht waaraan de van hem geïnde gelden zijn besteed, gaat de omvang van dit geding te buiten.

Met betrekking tot de overige gronden verwijst de Raad naar overwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.5 en 4.5 tot en met 4.9 van de uitspraak van de Raad van heden in de zaak van appellant met het registratienummer 12/6072.

Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep moet worden verworpen en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en

J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) W. de Braal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2016/168
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?