Herziening van de kinderbijslag
Appellante heeft niet betwist dat [naam] kort na zijn geboorte [in] 1995 diezelfde dag is overleden. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van de AKW en heeft appellante geen recht op kinderbijslag voor dit kind.
Uit artikel 14a, eerste lid, van de AKW volgt dat als de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van dit artikel is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.
De Svb heeft beleid geformuleerd ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Dit beleid houdt in dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.
Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.
Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.
Niet is gebleken dat de Svb voormeld beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Appellante heeft niet voldaan aan haar verplichting om het overlijden van [naam] aan de Svb te melden, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat het recht op kinderbijslag afhankelijk was van het in leven zijn van haar kind. In dit verband wordt, met de rechtbank, verwezen naar het proces-verbaal van verhoor van appellante van
23 november 2011, uit welke verklaring valt op te maken dat appellante zich ervan bewust was dat zij voor dit kind ten onrechte kinderbijslag ontving. Dit betekent dat de Svb terecht de aanspraak op kinderbijslag heeft herzien over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het vierde kwartaal van 2010.
Terugvordering van de kinderbijslag
De Svb is op grond van artikel 24 van de AKW gehouden tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AKW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen volgens vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiƫle en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Niet is gebleken dat appellante ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terecht is gekomen. Daarbij wordt erop gewezen dat de Svb bij het besluit van 7 december 2012 bij de invordering van het terug te betalen bedrag rekening heeft gehouden met de financiƫle draagkracht van appellante.
In artikel 24 van de AKW is verder bepaald dat de onverschuldigd betaalde kinderbijslag door de Svb wordt teruggevorderd van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald. Nu vaststaat dat de kinderbijslag voor [naam] aan appellante is betaald, slaagt het betoog van appellante dat haar ex-echtgenoot financieel voor de helft aansprakelijk is niet en is de Svb bevoegd het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante terug te vorderen.
Appellante heeft gewezen op een interne notitie van de Svb van 22 oktober 2012. Daaruit blijkt naar haar mening dat de Svb al in 1996 op de hoogte was van het overlijden van [naam]. Daarom is de vordering verjaard. Verder blijkt hieruit dat ook de Svb blaam treft en dat de terugvordering dient te worden gematigd. Appellante wordt niet gevolgd in deze stellingen. Uit de interne notitie blijkt dat er twee systeemmeldingen zijn in het AKW-systeem, te weten een van 20 en een van 27 december 1996. Verder is vermeld dat de eerste systeemmelding de geboorte van [naam] zou kunnen zijn en de tweede het overlijden. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb toegelicht dat een systeemmelding van alles kan betreffen en dat daarom niet zeker is dat de tweede melding het overlijden betreft. Daarbij wordt nog opgemerkt dat ook na de geboorte van het volgende kind van appellante twee systeemmeldingen zijn aangetroffen, te weten 10 en 20 januari 1997 terwijl de tweede melding geen overlijden kan betreffen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat, bij gebreke van het melden van het overlijden door appellante, de Svb hier via een automatische melding van op de hoogte is geraakt. De rechtbank wordt verder gevolgd in het oordeel dat appellante op deze interne notitie - voor zover daarin wordt voorgesteld de terugvordering te matigen - geen beroep kan doen, omdat dit standpunt niet aan appellante is medegedeeld.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.11 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2015.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) M. Crum
MK