OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Oudersdomswet en (aanvullende) bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen
(AIO-aanvulling) ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij besluit van 25 november 2011 heeft het college appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verleend voor de kosten van de uitvaart ten behoeve van zijn overleden echtgenote tot een bedrag van € 2.500,-.
Bij besluit van 23 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de in 1.2 genoemde bijzondere bijstand tot een bedrag van € 2.500,- van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant deze bijstand in de vorm van een geldlening heeft ontvangen en dat hij de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen. Voorts is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Deze dringende redenen zijn gelegen in de psychische, sociale en financiële problemen van appellant. Hierbij heeft appellant in het bijzonder gewezen op zijn hoge leeftijd, zijn analfabetisme, de huisuitzetting die heeft plaatsgevonden tijdens zijn verblijf in het buitenland en zijn grote schuldenlast.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het gaat in dit geding uitsluitend om de vraag of het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Niet is gebleken dat de wetgever met het begrip dringende redenen in dit artikellid een andere invulling heeft beoogd te geven van dit begrip dan tot nu toe in vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) is neergelegd. Deze rechtspraak houdt in dat dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat in wat appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen als hiervoor bedoeld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen. Appellant heeft geen medische of andere stukken in het geding gebracht, waaruit blijkt dat de terugvordering bij hem tot psychische klachten of sociale problematiek heeft geleid. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij is van belang dat appellant bij de invordering de bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) B. Fotchind