OVERWEGINGEN
Bij besluit van 23 december 2011 heeft de Svb geweigerd verzoekster een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet toe te kennen. Het door verzoekster tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 15 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2013, 12/3627 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 28 november 2014, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit van 15 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard.
2. De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Van degene die om herziening van een uitspraak vraagt, mag volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
In het onderhavige geval is het verzoek om herziening niet als onredelijk laat aan te merken.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek naar voren gebracht dat zij zich in een slechte financiële situatie bevindt.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.
Wat verzoekster heeft aangevoerd is geen nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119 van de Awb, zoals vermeld onder 2.1, nu zij deze grond ook naar voren heeft gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan om herziening wordt verzocht.
Uit 2.1 tot en met 2.6 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2016.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) V. van Rij
TM
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) rejète la demande de révision.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de V. van Rij en qualité de greffier, ansi que prononcé en public, le 25 mars 2016.