OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 december 2013 heeft het Uwv geweigerd om verzoekster met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), omdat zij geen werknemer is.
Bij besluit van 23 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 19 december 2013 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft deze uitspraak op 12 juni 2015 verzonden aan partijen.
3. Verzoekster heeft bij de ABRvS hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Het hoger beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 15 februari 2016 door de ABRvS ontvangen. Bij brief van
16 februari 2016 heeft de ABRvS het hoger beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening ter behandeling doorgezonden naar de Raad.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. De feiten en omstandigheden blijken uit de stukken en zijn ter zitting besproken en toegelicht. Overigens zijn er ook geen beletselen om uitspraak te doen in de hoofdzaak, zodat aan die artikelen toepassing zal worden gegeven.
Volgens artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9, 6:11 en 6:15 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Indien het beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Het tijdstip van indiening bij de onbevoegde bestuursrechter is bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behalve in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Op een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Op grond van de hierboven onder 3 vermelde gegevens wordt geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is aangevangen op 13 juni 2015, zijnde de dag na verzending van de aangevallen uitspraak aan partijen. De laatste dag voor het indienen van het beroepschrift was 24 juli 2015. Het beroepschrift van verzoekster is pas op 15 februari 2016 ingekomen bij de ABRvS.
Als reden voor deze termijnoverschrijding heeft verzoekster aangevoerd dat zij de aangevallen uitspraak pas op 10 februari 2016 per fax van de rechtbank heeft ontvangen. Volgens verzoekster heeft haar toenmalige advocaat de aangevallen uitspraak achter gehouden. In verband hiermee heeft verzoekster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten.
De door verzoekster aangevoerde reden van de termijnoverschrijding leidt er niet toe dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008: BC5187) worden fouten of nalatigheden van een gemachtigde toegerekend aan degene die de gemachtigde heeft gevraagd zijn of haar belangen te behartigen. Er zijn dan ook geen redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Om die reden bestaat er ook geen aanleiding gebruik te maken van het aanbod van verzoekster ter zitting om de stukken met betrekking tot de klachtenprocedure bij de deken van de Orde van Advocaten in geding te brengen.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2016.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) I.G.A.H. Toma