OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sinds 22 juli 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Uit onderzoek is gebleken dat appellante ten tijde van haar aanvraag om bijstand beschikte over meerdere bankrekeningen, waarvan het totale saldo de vermogensgrens te boven ging en dat zij bij het college geen melding heeft gemaakt van deze bankrekeningen. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 22 januari 2013, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante over de periode van 22 juli 2010 tot en met 23 februari 2012 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante gedurende deze periode beschikte over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed (vermogensoverschot) en daarvan in strijd met de inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan aan het college. Bij besluit van 29 april 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2013 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.
Vervolgens heeft het college bij besluit van 2 september 2013 een bedrag van € 5.489,50 bruto van appellante teruggevorderd. Daarbij heeft het college het per 22 juli 2010 becijferde vermogensoverschot als uitgangspunt genomen, met dien verstande dat op het toen aanwezige vermogen de toen geldende vermogensvrijlating in mindering is gebracht, en het vermogensoverschot vervolgens met inachtneming van de toepasselijke bijstandsnorm toegerekend aan de periode vanaf 22 juli 2010. Dit resulteerde in een terugvordering over de periode van 22 juli 2010 tot en met 13 november 2010, zijnde € 3.919,30 netto, na brutering
€ 5.489,50. Bij besluit van 30 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarnaast heeft zij verzocht om vergoeding van schade.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vooropgesteld wordt dat het besluit van 22 januari 2013, waarbij de bijstand van appellante over de periode van 22 juli 2010 tot en met 23 februari 2013 is ingetrokken, in rechte onaantastbaar is geworden. In dat besluit ligt mede besloten dat de gestelde studieschuld aan DUO niet in mindering strekt op het per 22 juli 2010 vastgestelde vermogen, dat de basis vormde voor de intrekking van de bijstand. Dit betekent dat de beroepsgrond van appellante, dat rekening had moeten worden gehouden met de studieschuld aan DUO, thans in het kader van de terugvordering niet (nogmaals) aan de orde kan worden gesteld en dus verder geen bespreking behoeft.
Het besluit tot terugvordering dateert van na 1 januari 2013. Uit 4.1 vloeit voort dat het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB (zoals deze bepaling vanaf
1 januari 2013 luidt) gehouden was - en dus niet (alleen) bevoegd zoals de rechtbank heeft overwogen - de ten onrechte of teveel verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen.
Vastgesteld wordt dat het college de terugvordering heeft gematigd en concreet heeft beperkt tot de periode van 22 juli 2010 tot en met 13 november 2010. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van de Raad komt naar voren dat het college het per 22 juli 2010 vastgestelde vermogensoverschot van € 3.888,59, met inachtneming van de toepasselijke bijstandsnorm, heeft toegerekend aan de periode lopend vanaf die datum. Deze periode beslaat het tijdvak van 22 juli 2010 tot en met 13 november 2010, waarbij op een hele dag is afgerond. Vervolgens is berekend wat over die aldus vastgestelde periode - ten onrechte - aan appellante aan bijstand is verleend, te weten € 3.919,30. Dit bedrag is vervolgens met toepassing van artikel 58, vijfde lid, van de WWB gebruteerd tot een bedrag van € 5.489,50.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, was het college in het kader van de terugvordering niet gehouden rekening te houden met een fictieve interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm, wat in een kortere in aanmerking te nemen periode en dus tevens in een lager terugvorderingsbedrag zou resulteren. Verwezen wordt naar de vaste rechtspraak ten aanzien van de - eveneens als verplichting geformuleerde - terugvorderingsbepalingen van de Algemene bijstandswet (Abw). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR5395. De Raad ziet geen aanleiding ten aanzien van de toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2013 luidt, anders te oordelen. Zulks te minder nu in dit geval, anders dan in evengenoemde uitspraak, bovendien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door appellante.
Appellante heeft zich nog beroepen op dringende redenen om geheel van terugvordering af te zien.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB, zoals dat luidt vanaf 1 januari 2013, kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Niet is gebleken dat de wetgever aan het begrip dringende redenen in dit artikellid een andere invulling heeft beoogd te geven dan destijds was neergelegd in het gelijkluidende artikel 78, derde lid, van de Abw - toen terugvordering van kosten van bijstand een verplichting voor het bestuursorgaan was - en de daarop gevormde vaste rechtspraak. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869. Deze rechtspraak houdt in dat dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.
Met de enkele verwijzing door appellante naar het ontbreken van financiële reserves, mede omdat zij de studieschuld aan DUO inmiddels heeft terugbetaald, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen als bedoeld in 4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het college gerechtigd was de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante niet verdergaand te matigen en te bepalen op
€ 5.489,50.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Uit 4.9 vloeit voort dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte is. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J.L. Meijer