OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij zijn uitspraak van 30 oktober 2015 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv met het besluit van 2 april 2015, genomen ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 6 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:383) terecht en op goede gronden zijn besluit van 22 juni 2012, waarbij het Uwv had geweigerd om terug te komen van zijn eerdere besluit van 28 juni 2005 tot weigering van een WAO-uitkering, heeft gehandhaafd. De Raad heeft hiertoe overwogen het standpunt van het Uwv te onderschrijven dat de in bezwaar overgelegde aantekeningen van de destijds behandelend neuroloog Van de Werd geen nieuwe feiten bevatten die, waren ze eerder bekend geweest, tot een ander standpunt van het Uwv hadden geleid. De Raad heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2015 vervolgens ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van 30 oktober 2015, maar heeft hiertoe geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) N. Veenstra