OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt sinds 27 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2011 tot en met 31 maart 2013 herzien in verband met inkomsten uit alimentatie en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 3.087,50 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 23 mei 2013 heeft het college de inkomsten uit alimentatie van € 162,50 per maand met ingang van 1 april 2013 op de bijstand gekort.
Bij brief van 10 maart 2014 heeft appellante het college verzocht om de korting op de bijstand met ingang van 1 januari 2013, althans 1 maart 2013, althans 1 januari 2014 te beëindigen. Daarbij heeft appellante gesteld dat geen sprake is van een door de rechter vastgestelde alimentatieverplichting van haar ex-partner, [naam B] (B), en dat B geen draagkracht heeft om deze te voldoen.
Bij besluit van 17 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is van middelen die ten goede komen aan haar dochter. Ook is er geen alimentatiebeschikking van de rechtbank of een rechtsgeldige alimentatieovereenkomst.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het verzoek van appellante strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn besluit van
23 mei 2013. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op een dergelijk verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Wat appellante in haar verzoek van 10 maart 2014 heeft aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het college was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 23 mei 2013 af te wijzen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) B. Fotchind