ECLI:NL:CRVB:2016:1719

ECLI:NL:CRVB:2016:1719, Centrale Raad van Beroep, 03-05-2016, 15-2030 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-05-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15-2030 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0012438

Samenvatting

Terecht afgewezen aanvraag om bijstand. WTOS voorliggende voorziening. Verplichting tot terugbetaling maakt dat niet anders.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 17 juni 2014 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) voor de kosten van levensonderhoud. Deze aanvraag is bij besluit van 5 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2014 (bestreden besluit), afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit informatie van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is gebleken dat appellante gedurende de periode van januari 2014 tot en met augustus 2014 een basistoelage op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) heeft ontvangen. De basistoelage op grond van de Wtos wordt voor appellante als een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB beschouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt dat in haar geval sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening. Appellante stelt dat zij in aanvulling op de basistoelage op grond van de Wtos recht had op bijstand. Zij is op 16 december 2013 gestopt met haar studie en vanaf die tijd is zij geconfronteerd met hogere kosten van het bestaan dan waar een studente van het voortgezet onderwijs mee te maken heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellante is met ingang van 1 september 2014 gestart met een hbo-opleiding. Vanaf die datum ontvangt zij studiefinanciering. De te beoordelen periode loopt daarom van 17 juni 2014 tot 1 september 2014.

Vastgesteld wordt dat de aanvraag van appellante ziet op de kosten van levensonderhoud. Tussen partijen is niet in geschil dat de basistoelage op grond van de Wtos voor de kosten van levensonderhoud kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of deze voorliggende voorziening voor de kosten van levensonderhoud geacht wordt voor appellante toereikend en passend te zijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB.

Vaststaat dat appellante in ieder geval in de periode van juni 2014 tot en met augustus 2014 een basistoelage ingevolge de Wtos heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5578) moet de basistoelage op grond van de Wtos voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waaronder de kosten van levensonderhoud zijn begrepen, worden beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB. De omstandigheid dat appellante haar studie in december 2013 heeft beƫindigd, maar ervoor gekozen heeft de basistoelage ingevolge de Wtos niet te beƫindigen, kan aan het voorgaande niet af doen.

Ter zitting is namens appellante, evenals bij de rechtbank, aangevoerd dat achteraf is gebleken dat appellante van januari 2014 tot en met augustus 2014 geen recht had op de basistoelage Wtos en dat zij de over deze maanden ontvangen basistoelage moet terugbetalen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze omstandigheid er niet aan af doet dat zij gedurende deze periode de basistoelage heeft ontvangen en daardoor feitelijk over middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

Het voorgaande betekent dat het college de aanvraag om (aanvullende) bijstand terecht heeft afgewezen.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) B. Fotchind

HD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?