OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 18 september 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat het bestuur de aan appellante toegekende bijstand met ingang
1 januari 2014 had ingetrokken, heeft appellante zich op 13 maart 2014 wederom gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 2 april 2014 heeft zij de aanvraag om bijstand ingediend.
Op 31 maart 2014 heeft een medewerker van de Sociale Dienst Drechtsteden met appellante een oriëntatiegesprek gevoerd om een beeld te krijgen van haar aanvraag en situatie. Daarbij is appellante erop gewezen dat zij een bewijsstuk over de hoogte van haar pensioen vanaf januari 2014 moet inleveren. Bij brief van 31 maart 2014 is appellante verzocht om onder andere een bewijsstuk over de hoogte van het pensioen vanaf januari 2014 uiterlijk op 4 april 2014 in te leveren. Appellante heeft hierop niet gereageerd.
Bij brief van 8 april 2014 heeft het bestuur appellante verzocht om het bewijsstuk over de hoogte van het pensioen per 1 januari 2014 en afschriften van bankrekeningen over januari 2014 tot en met maart 2014 binnen zeven dagen na de datum van deze brief in te dienen. Het college heeft appellante erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling wordt genomen. Appellante heeft op de brief van
8 april 2014 niet gereageerd.
Bij besluit van 24 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2014, (bestreden besluit), heeft het bestuur de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld. Hieraan heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde stukken niet binnen de gegeven termijn heeft overgelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. De door het bestuur bij appellante opgevraagde bankafschriften en pensioengegevens zijn bedoeld om met de andere beschikbare gegevens een compleet beeld te krijgen van haar financiële situatie.
Appellante heeft aangevoerd dat de gevraagde stukken niet noodzakelijk waren omdat het bestuur sedert 2006 bekend is met haar inkomen, dit sindsdien nauwelijks is gewijzigd en zij geen andere inkomsten heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het gaat hier immers om gegevens die betrekking hadden op haar financiële situatie nadat de eerder aan haar toegekende bijstand met ingang van 1 januari 2014 was ingetrokken. Zonder de gevraagde stukken kan geen volledig inzicht in haar financiële situatie worden verkregen.
Niet in geschil is dat appellante de gevraagde bankafschriften over januari 2014 tot en maart 2014 en het stuk over de hoogte van het pensioen met ingang van 1 januari 2014 niet binnen de aan haar gegeven termijn heeft verstrekt.
Appellante heeft aangevoerd dat de termijn van zeven dagen gelet op haar persoonlijke omstandigheden te kort was. Zij is zestig jaar oud, analfabeet, beheerst de Nederlandse taal niet, is licht verstandelijk gehandicapt en was aan het herstellen van een operatie. Hierdoor is zij volledig afhankelijk van de hulp van familieleden. Het bestuur had hiermee rekening moeten houden.
In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de gegeven hersteltermijn niet aanvaardbaar of onredelijk kort is te achten. Appellante werd tijdens het oriëntatiegesprek op 31 maart 2014, waarbij zij is gewezen op het belang van het bewijsstuk over de hoogte van het pensioen vanaf januari 2014, bijgestaan door haar schoonzoon. Het komt dan voor haar risico dat de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven termijn worden verstrekt. Nu appellante hulp had van derden, slaagt de stelling niet dat het bestuur onzorgvuldig heeft gehandeld door appellante niet door te verwijzen naar instanties die in het kader van een aanvraagprocedure hulp bieden.
Appellante moet dan ook redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde stukken te beschikken en deze tijdig over te leggen. Mocht dit laatste anders zijn geweest dan had het op de weg van appellante gelegen het bestuur binnen de gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen en eventueel om verlenging van de hersteltermijn te verzoeken.
De beroepsgrond van appellante dat het bestuur de in bezwaarprocedure overgelegde stukken inhoudelijk had moeten beoordelen, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB5267) brengen de aard en inhoud van het besluit, dat strekt tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bijstand, in beginsel mee dat geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt. Dit geldt in beginsel ook indien die alsnog verstrekte gegevens of bescheiden nadien hebben geleid tot verlening van bijstand. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Appellante is daarin niet geslaagd.
Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) A. Stuut