OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb blijkt dat de ratio van het instituut van wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode vanaf 1 januari 2015 heeft hij geen persoonsgebonden budget ontvangen en mede daarom heeft hij een procesbelang bij het onderhavige hoger beroep. CIZ heeft geen uitvoering gegeven aan uitspraken van de rechtbank Haarlem van 8 augustus 2011 en
19 januari 2012, en heeft zich laten adviseren door artsen die verzoeker nooit hebben gezien. De Raad ondersteunt CIZ hierin. Dit blijkt uit de uitspraak van 7 mei 2014, waarin de Raad met CIZ is meegegaan wat betreft de afwijzing van de door verzoeker aangevraagde vervoersvoorziening.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient verder het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
In het onderhavige hoger beroep is op 7 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan door een meervoudige kamer waarvan mrs. Van Male en Schaap deel uitmaakten. Dat verzoeker het met deze tussenuitspraak niet geheel eens is, is geen reden voor toewijzing van het wrakingsverzoek ten aanzien van mrs. Van Male en Schaap. De enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van de betrokkene een die betrokkene onwelgevallige uitspraak heeft gedaan kan, naar vaste rechtspraak van de Raad, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2015:3155). Er is geen aanleiding om daar bij een gedane tussenuitspraak in dezelfde zaak anders over te oordelen.
Bij de in de rubriek procesverloop vermelde brief van 3 februari 2016 zijn aan verzoeker vragen gesteld over de periode vanaf 1 januari 2015 en daarbij is ook een vraag gesteld over het procesbelang van verzoeker bij het hoger beroep. Het stellen van vragen behoort tot de taak van de rechter (zie onder meer de uitspraak van 28 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1417). Uit het enkele feit dat de bedoelde vragen zijn gesteld, kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de behandelend rechters worden afgeleid.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mrs. R.M. van Male,
A.J. Schaap en M.F. Wagner af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) B. Fotchind