Het hoger beroep van betrokkene
3.1.1. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Betrokkene heeft in hoger beroep een rapport overgelegd van 21 juli 2014, opgesteld door C.J. Timmermans, bedrijfsarts bij Care for Companies. Timmermans is op grond van onder meer lichamelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat er voor betrokkene diverse medische bezwaren bestaan om deel te nemen aan collectief vervoer. Timmermans heeft gesteld dat de spieren in het hele lichaam van betrokkene door de PPS steeds zwakker worden waardoor de rompstabiliteit sterk beperkt is. Deze instabiliteit leidt snel tot balansverlies. Dit en de verhoogde gevoeligheid van de spieren en gewrichten zullen leiden tot luxatie van pijnklachten bij vervoer per taxi. Redengevend hiervoor is dat in de situatie dat betrokkene niet zelf rijdt, hij niet kan anticiperen op onverwachte bewegingen en oneffenheden in de weg. Timmermans heeft ook aangegeven dat de klimaatschommeling in een taxi, die wordt veroorzaakt door in- en uitstappende medepassagiers, de klachten van betrokkene aan spieren en gewrichten kan verergeren.
Timmermans acht het verder niet gewenst dat betrokkene gebruik maakt van de taxi omdat zijn incontinentie geuroverlast veroorzaakt en, bij langer durende ritten, de kans bestaat dat zich decubitus ontwikkelt. Tot slot verzet volgens Timmermans de wagenziekte van betrokkene zich ertegen dat hij van de taxi gebruik maakt.
3.1.2. In reactie op het rapport van Timmermans heeft de medisch adviseur van het college Veen in zijn rapport van 11 augustus 2014 gemeld dat Timmermans klachten en beperkingen beschrijft die bij zijn onderzoek in mei 2013 helemaal niet aan de orde zijn geweest. Veen onderschrijft de mening van Timmersmans dat bij PPS sprake kan zijn van verminderde rompstabiliteit, maar voegt daaraan toe dat dit ook voorkomt bij mensen met paralytische of paretische spieren als gevolg van een hersenbloeding. Hij heeft erop gewezen dat niet al deze mensen een individuele vervoersvoorziening hebben. De meeste van hen kunnen gebruik maken van het collectief vervoer, dat juist bestemd is voor mensen met dit soort mobiliteitsbeperkingen. Veen heeft overigens gemeld dat uit het rapport van Timmermans niet volgt dat er in het geval van betrokkene sprake zou zijn van een medische contra-indicatie voor het gebruik van de taxi. Naar zijn stelling noemt Timmermans alleen bezwaren. Veen heeft naar voren gebracht dat men zich tegen koude kan kleden en dat incontinentie niet altijd een beletsel is voor gebruik van het collectief vervoer, omdat het daarbij gaat om kortdurende ritten in de directe leefomgeving en er adequaat incontinentiemateriaal verkrijgbaar is. Hij heeft er voorts op gewezen dat adequate medicatie tegen wagenziekte bestaat.
Het incidenteel hoger beroep van het college
Het hoger beroep van het college richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en het feit dat de rechtbank om die reden het bestreden besluit vernietigd heeft. Het college stelt dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het “Gemeentelijk standpunt” van 30 juli 2013. Dit verwijst naar het verweerschrift van het college in bezwaar waarin uitdrukkelijk is ingegaan op het beroep van betrokkene op het overgangsrecht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep van betrokkene
De Raad is van oordeel dat de bestreden besluitvorming een deugdelijke medische grondslag ontbeert. Timmermans heeft vastgesteld dat het PPS waaraan betrokkene lijdt progressief slapper wordende spieren veroorzaakt en dat de rompstabiliteit van betrokkene steeds verder afneemt. Zijn vermogen om onverwachte bewegingen op te vangen is hierdoor zeer beperkt en de kans om bij onverwachte bewegingen te vallen is groot. Betrokkene heeft als gevolg van het PPS tevens last van gewrichtsklachten en een verhoogde gevoeligheid voor kou. Vervoer per taxi kan volgens Timmermans bij betrokkene pijnklachten veroorzaken of verergeren doordat betrokkene zich niet kan vasthouden aan het stuur en niet kan anticiperen op oneffenheden in de weg of onverwachte bewegingen. Voor de Raad is van belang dat Timmermans anders dan Veen zich baseert op het door hem op betrokkene uitgevoerde lichamelijk onderzoek.
De opvatting van Veen als weergegeven in 3.1.2 heeft de Raad niet overtuigd. Het is voor de Raad niet inzichtelijk waarop Veen zijn opvatting baseert dat betrokkene behoort tot de - kennelijk grotere - groep van mensen met paralytische of paretische spieren die zonder meer in staat is van de taxi gebruik te maken. Het college heeft niet onderzocht of de door Veen genoemde hulpmiddelen, zoals rugsteunen, fixatiegordels, kussens met veerkracht en kantel- en zithoekverstellingen beschikbaar zijn in elke taxi en evenmin of in het geval van betrokkene daarmee de door Timmermans genoemde bezwaren kunnen worden weggenomen.
Om het geconstateerde gebrek te herstellen zal een nader (medisch) onderzoek door het college dienen plaats te vinden, waarbij de specifieke beperkingen die betrokkene ondervindt als gevolg van het PPS duidelijk in kaart worden gebracht. De Raad ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, het college op te dragen het gebrek te herstellen.
Indien uit het medisch onderzoek zou blijken dat betrokkene niet op medische gronden is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening dient het college ook het volgende gebrek te herstellen. Uit de overgelegde stukken volgt voorts niet of en zo ja op welke wijze het college het navolgende in zijn besluitvorming heeft betrokken.
Betrokkene ontving op 1 maart 1999 een vervoersvergoeding die hij aanwendde voor vervoer in een eigen auto en betrokkene was niet om medische redenen geïndiceerd voor en aangewezen op gesloten buitenvervoer. Bij besluit van 24 september 1999 is hij dan ook door het college voor de vervoersvergoeding bedoeld in de in artikel 38 van de WMO-verordening opgenomen overgangsregeling in aanmerking gebracht. In het op bezwaar daartegen genomen besluit van 24 november 1999 is vermeld dat uit de herindicatie was gebleken dat betrokkene niet in aanmerking kwam voor collectief vervoer maar een individuele vervoersvoorziening nodig had en dat met toepassing van artikel 3.1 onder c.4 van de (destijds vigerende)
WVG-verordening Zoetermeer de tegemoetkoming van € 197,- per maand voor het gebruik van de taxi of de eigen auto gecontinueerd zou worden.
De Raad maakt uit het hiervoor overwogene op dat het college de in artikel 4, tweede lid, van de Wmo bedoelde persoonskenmerken en specifieke behoefte van betrokkene reden heeft gezien om ten gunste van betrokkene af te wijken van de bepalingen in de Verordening en naar aanleiding van zijn bezwaar tegen het besluit van 24 september 1999 besloten heeft de overgangsregeling niet op hem van toepassing te verklaren.
Betrokkene is daarmee door het college vele jaren begunstigd ten opzichte van zowel degenen die, net als betrokkene, niet over een medische contra-indicatie voor het collectief vervoer beschikten, als ten opzichte van degenen die evenmin over zo een contra-indicatie beschikten, maar die, net als betrokkene, behoren tot de groep waarop de overgangsregeling van artikel 38 van de WMO-verordening van toepassing is.
Voor de Raad is niet duidelijk waarom het college van opvatting is dat vanaf het moment dat de situatie van betrokkene niet meer wordt beoordeeld als zo bijzonder dat afwijking van de regels gerechtvaardigd is, betrokkene geen rechten kan ontlenen aan artikel 38 van de WMO-verordening. Indien voorbedoelde bijzondere omstandigheden niet aanwezig zouden zijn geweest dan had betrokkene van aanvang af tot de groep van personen hebben behoord die op grond van het overgangsrecht een forfaitaire tegemoetkoming in de vervoerskosten ter hoogte van het in artikel 38 van de Verordening genoemde bedrag krijgt.
Het incidenteel hoger beroep van het college
5. Het incidenteel beroep van het college slaagt niet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van het overgangsrecht volgt dat het college weliswaar ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verwezen naar het verweerschrift, maar dat het verweerschrift geen volledige en deugdelijke onderbouwing van het door het college ingenomen standpunt bevat.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 27 september 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze tussenuitspraak heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) V. van Rij
GdJ