ECLI:NL:CRVB:2016:240

ECLI:NL:CRVB:2016:240, Centrale Raad van Beroep, 21-01-2016, 15-126 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-01-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15-126 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 4 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0019057 BWBR0032904 BWBR0036599

Samenvatting

Afwijzing verzoek om letselschadevergoeding. Appellant heeft een causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsschade niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft appellant geen medische stukken overgelegd die zijn stelling ondersteunen dat de gehoorschade het gevolg is van het gebruik van een scheidsrechtersfluit tijdens de gymlessen die hij twee uur per week gaf.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Appellant was sinds 1975 als leraar basisonderwijs in dienst van de stichting. In februari 2008 is hij door ziekte uitgevallen. Bij besluit van 5 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2010, is appellant ontslag verleend, primair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid en subsidiair wegens redenen van gewichtige aard.

Bij tussenuitspraak van 14 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277) is het ontslagbesluit voor zover het de primaire ontslaggrond betreft vernietigd en de stichting opgedragen om een gemotiveerde keuze te maken tussen handhaving van de subsidiaire ontslaggrond en ontslag wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. De stichting heeft het ontslag wegens gewichtige reden gehandhaafd omdat ten tijde van het ontslag sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding die heeft geresulteerd in een uitzichtloze situatie. Aan appellant is een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering toegekend evenals een vergoeding van kosten van een outplacementtraject tot een bedrag van € 5000,-. De stichting heeft geen aanleiding gezien voor een aanvullende ontslagvergoeding, op de grond dat zij geen overwegend aandeel heeft in het ontstaan van de ernstig verstoorde verhoudingen.

Bij einduitspraak van 14 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2442) heeft de Raad het beroep voor zover gericht tegen de subsidiaire ontslaggrond ongegrond verklaard. Het verzoek van appellant om veroordeling van de stichting tot vergoeding van schade is afgewezen. De Raad heeft daarbij overwogen dat het verzoek van appellant tot betaling van een letselschadevergoeding buiten de beoordeling van het ontslag valt. Appellant kan zich met een dergelijk verzoek wenden tot de stichting.

Bij brief van 30 november 2013 heeft appellant verzocht om een schadevergoeding van

€ 25.000,-, nadien verhoogd naar € 50.000,-. Appellant heeft gesteld dat hij door gebruikmaking van een scheidsrechtersfluit tijdens het geven van gymlessen gehoorschade heeft opgelopen waardoor hij na verloop van tijd zijn werk niet meer kon verrichten. Dit is jarenlang genegeerd. Voorts is appellant na een ziekteverlof zonder re-integratie door een onjuiste ontslaggrond zijn baan in het onderwijs voorgoed kwijtgeraakt. Dit heeft geleid tot psychische en lichamelijke schade.

Bij besluit van 2 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2013, is dit verzoek afgewezen. De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het gebruik van een scheidsrechtersfluit nu het iedere leerkracht vrij staat om dit hulpmiddel te gebruiken. Met betrekking tot het ziektetraject en ontslag stelt de stichting te hebben voldaan aan haar verplichtingen, zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 14 november 2013.

Bij brief van 6 februari 2014 is het besluit van 18 december 2013 ingetrokken en is appellant meegedeeld dat hij op zijn bezwaar wordt gehoord, waarna een nieuwe beslissing zal worden genomen. Nadat appellant is gehoord, is bij nieuwe beslissing op bezwaar van

21 maart 2014 het besluit van 2 december 2013 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 december 2013 niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering van appellant niet is verjaard, nu appellant eerst na de uitspraak van de Raad van 14 november 2013 een verband heeft gelegd tussen de gehoorschade en het gebruik van een scheidsrechtersfluit. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat sprake is van een voldoende mate van waarschijnlijkheid dat de gehoorschade is veroorzaakt door het gebruik van een scheidsrechtersfluit tijdens het geven van gymlessen. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 november 2013, voorts van oordeel dat het aan appellant gegeven ontslag wegens gewichtige redenen rechtmatig is. Uit het in die uitspraak onder 2.5 overwogene volgt dat de stichting voldoende inspanningen heeft verricht om met appellant tot een oplossing te komen rekening houdend met de beperkingen van appellant.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad heeft in vaste rechtspraak als norm geformuleerd dat de (gewezen) ambtenaar, voor zover dit niet reeds voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar (uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072).

In de bewoordingen “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. De Raad acht een dergelijk verband pas aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Het is aan de ambtenaar om dit aannemelijk te maken door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat van zo’n voldoende mate van waarschijnlijkheid sprake is.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant een causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsschade niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft appellant geen medische stukken overgelegd die zijn stelling ondersteunen dat de gehoorschade het gevolg is van het gebruik van een scheidsrechtersfluit tijdens de gymlessen die hij twee uur per week gaf. De enkele overtuiging van appellant dat zijn gehoorschade het gevolg moet zijn geweest van gebruik van een scheidsrechtersfluit, mede gelet op het feit dat hij al op relatief jonge leeftijd een gehoorapparaat nodig had en van een familiegeschiedenis in dat opzicht geen sprake is, is daartoe onvoldoende.

De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de rechtmatigheid van het ontslag wegens gewichtige reden is komen vast te staan met de uitspraak van de Raad van

14 november 2013. In deze uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de stichting voorafgaand aan dit ontslagbesluit blijk heeft gegeven van voldoende inspanningen om appellant te re-integreren.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter, en K.J. Kraan en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J.L. Meijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl TAR 2016/64 Onderwijs Totaal 2017/638 PS-Updates.nl 2016-0390 PS-Updates.nl 2016-0011
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?