ECLI:NL:CRVB:2016:2511

ECLI:NL:CRVB:2016:2511, Centrale Raad van Beroep, 06-07-2016, 15/4160 ZW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 06-07-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/4160 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888

Samenvatting

Geen recht meer op ziekengeld. Met de rechtbank wordt geconstateerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de diagnose en een goed en compleet beeld had van de psychische klachten en beperkingen van appellante. De informatie van de behandelend psychiater van appellante wijkt daar niet wezenlijk van af. Terecht heeft de rechtbank daarbij van belang geacht dat appellante met haar al langer bestaande stoornis haar eigen werk heeft kunnen verrichten. Dat zij dit mede heeft kunnen doen omdat de werkgever bereid was de omstandigheden waaronder zij werkte mede op haar mogelijkheden af te stemmen doet daar niet aan af, omdat die verlichtende omstandigheden deel uit maken van de te beoordelen arbeid. Eveneens terecht heeft de rechtbank bij de beoordeling betrokken dat de verzekeringsarts appellante anders dan de verzekeringsartsen van het Uwv, niet persoonlijk heeft gesproken en onderzocht.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als project coördinator bij een [stichting] voor 36 uur per week. Haar dienstverband is beëindigd. Appellante heeft zich op 8 november 2012 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Op 25 april 2014 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 28 april 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van projectcoördinator. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2014 vastgesteld dat appellante per 28 april 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2014

(bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2014 ten grondslag.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft haar stelling dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten onderbouwd met een op haar verzoek, via een rapport van 23 februari 2015, uitgebracht advies van de verzekeringsarts H.M.Th. Offermans en informatie van haar behandelend psychiater M.J. Botman. Het Uwv heeft hierop gereageerd via een rapport van 3 maart 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het oordeel van die verzekeringsartsen. Het in beroep door appellante overgelegde rapport van de verzekeringsarts Offermans van 23 februari 2015 en de informatie van de psychiater Botman vormden naar het oordeel van de rechtbank geen reden om appelante per 28 april 2014 niet in staat te achten haar functie van projectcoördinator te vervullen. Daarbij is van belang dat anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de verzekeringsarts Offermans appellante niet zelf heeft onderzocht en dat de psychiater Botman appellante pas drie maanden na de in dit geding relevante datum, 28 april 2014, heeft onderzocht. Dat appellante leed aan een bipolaire stoornis heeft er niet aan in de weg gestaan dat zij gedurende ruim drie jaren haar werkzaamheden heeft verricht. Voor het benoemen van een deskundige bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding.

In hoger beroep heeft appellante alleen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist geen deskundige in te schakelen, omdat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de mening van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts lijnrecht tegenover elkaar liggen.

Verweerder heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding was om een deskundige in te schakelen. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat daartoe wel reden was omdat de verzekeringsarts Offermans, die op verzoek van appellante advies heeft uitgebracht, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening is dat appelante niet in staat was haar functie uit te oefenen als gevolg van haar psychische beperkingen die verband houden met de geconstateerde bipolaire stoornis. Met de rechtbank wordt geconstateerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de diagnose en een goed en compleet beeld had van de psychische klachten en beperkingen van appellante. De informatie van de behandelend psychiater van appellante wijkt daar niet wezenlijk van af. Terecht heeft de rechtbank daarbij van belang geacht dat appellante met haar al langer bestaande stoornis haar eigen werk heeft kunnen verrichten. Dat zij dit mede heeft kunnen doen omdat de werkgever bereid was de omstandigheden waaronder zij werkte mede op haar mogelijkheden af te stemmen doet daar niet aan af, omdat die verlichtende omstandigheden deel uit maken van de te beoordelen arbeid. Eveneens terecht heeft de rechtbank bij de beoordeling betrokken dat de verzekeringsarts Offermans appellante anders dan de verzekeringsartsen van het Uwv, niet persoonlijk heeft gesproken en onderzocht.

5. Wat in 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.M.M. van Dalen

GdJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SZR-Updates.nl 2016-0714
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?