OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante en [naam] (R) ontvingen van 17 juli 2006 tot en met 1 augustus 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Beiden stonden ten tijde in geding in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).
Naar aanleiding van een melding van de klantmanager onder meer dat R een eigen bedrijf heeft en er onduidelijkheid bestaat over zijn inkomsten, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand van appellante. In dat kader heeft de sociale recherche op 4 maart 2010 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres, dossieronderzoek verricht, appellante en R verhoord, bij de opdrachtgever van R facturen opgevraagd die R bij deze opdrachtgever in verband met verrichte stukadoorswerkzaamheden heeft ingediend en aan de officier van justitie toestemming gevraagd om gebruik te maken van een
proces-verbaal tegen appellante in verband met een op het uitkeringsadres aangetroffen en ontmantelde hennepkwekerij. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 februari 2014.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
4 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellante en R over de maanden december 2008, januari 2009 en mei 2009 te herzien en de bijstand over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2010 in te trekken. Tevens heeft het college besloten de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.963,37 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat R werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen en dat appellante een hennepkwekerij heeft gehad. Door hiervan geen (volledige) mededeling te doen, hebben appellante en R de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Rekening houdend met de inkomsten van R heeft het college de bijstand over de in geding zijnde maanden herzien. Doordat de inkomsten vanaf augustus 2009 hoger waren dan de voor appellante en R geldende bijstandsnorm, heeft het college de bijstand over die maand ingetrokken en is het surplus vanaf augustus 2009 toegerekend aan het vermogen. Vanaf 6 november 2009 konden appellante en R beschikken over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens waardoor vanaf die datum niet langer recht op bijstand bestond. Verder heeft appellante over de periode van 1 mei 2010 tot en met 24 juli 2010 op het uitkeringsadres een hennepkwekerij in werking gehad, waarvan zij evenmin melding aan het college heeft gedaan. Appellante en R hebben geen bewijsstukken of administratie overgelegd omtrent de omvang van de werkzaamheden dan wel de hoogte van de inkomsten uit de hennepkwekerij.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Niet in geschil is dat R de door het college in aanmerking genomen inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat appellante en R hiervan geen (volledige) mededeling aan het college hebben gedaan.
Appellante heeft aangevoerd dat haar van deze schending geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij niet op de hoogte was van de werkzaamheden en inkomsten van R. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953) worden in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft. Daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met succes beroepen op onbekendheid met activiteiten en de financiële situatie van de ander. Bovendien is tijdens een eerder afgelegd huisbezoek een visitekaartje van het stukadoorsbedrijf van R op de voordeur van het uitkeringsadres aangetroffen, wat de stelling van appellante ongeloofwaardig maakt. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Rekening houdend met de inkomsten van R heeft het college de bijstand over de maanden december 2008, januari 2009 en mei 2009 herzien. Doordat de inkomsten vanaf augustus 2009 hoger waren dan de voor appellante en R geldende bijstandsnorm, heeft het college de bijstand vanaf die maand ingetrokken en is het surplus vanaf augustus 2009 toegerekend aan het vermogen, wat er toe heeft geleid dat appellante en R vanaf 6 november 2009 konden beschikken over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens waardoor vanaf die datum niet langer recht op bijstand bestond.
Gelet op 4.1 tot en met 4.3 was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals dit artikel sedert 1 juli 2013 luidt, gehouden de bijstand van appellante en R over de in geding zijnde periode te herzien dan wel in te trekken. Daaruit volgt dat het college tevens gehouden was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Tegen de terugvordering zijn geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend, zodat dit verder geen bespreking behoeft.
Gezien het onder 4.3 en 4.4 gegeven oordeel behoeft de beroepsgrond van appellante, dat zij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft ontvangen, evenmin bespreking.
Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) L.V. van Donk