OVERWEGINGEN
In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.
Appellante is bij besluit van 4 maart 2013 met ingang van 11 maart 2013 aangesteld in tijdelijke dienst in de functie van [functienaam] schaal 4), in de regionale eenheid Midden-Nederland.
Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [naam 1] in het vakgebied [naam 2] , met bijbehorende schaal 4. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
In hoger beroep is alleen nog in geschil de vraag of de op Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) en de in de bijlage opgenomen transponeringstabel (TPT) door de korpschef in geval van appellante analoog mochten worden toegepast.
Vast staat en niet in geschil is dat in de Regeling niet is beschreven op welke wijze omzetting plaatsvindt van een (oude) korpsfunctie in een LFNP-functie in de periode vanaf
1 januari 2012. De korpschef heeft gelet hierop aansluiting gezocht bij de wel geregelde gevallen door de Regeling en de TPT analoog toe te passen op ambtenaren die na
31 december 2011 in een korpsfunctie zijn aangesteld of van korpsfunctie zijn gewisseld. Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat deze analoge toepassing een wijziging door de korpschef van de Regeling en de TPT inhoudt, hetgeen niet is toegestaan en bovendien niet met de politiebonden is afgesproken. Omdat een juridische grondslag voor analoge toepassing ontbreekt, had de korpschef appellante zonder toepassing van de Regeling en de TPT direct in een LFNP-functie moeten aanstellen, welke functie overeenkomt met de feitelijk opgedragen werkzaamheden, waarbij een matching op schaal niet aan de orde is. Appellante wordt in dit standpunt niet gevolgd. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.
Voor zover appellante betoogt dat haar aanstellingsbesluit niet juist zou zijn, omdat zij direct in een LFNP-functie had moeten worden aangesteld, valt dit buiten de omvang van dit geding. Immers, het aanstellingsbesluit van 4 maart 2013 waarbij appellante is aangesteld in de korpsfunctie van Medewerker Intake en Service B staat in rechte vast, nu zij hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Het aanstellingsbesluit van appellante ligt hier dan ook niet voor. Het gaat hier alleen om de overgang van appellantes korpsfunctie naar een
LFNP-functie.
Met de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het niet onjuist is - in tegendeel - om bij een nieuwe aanstelling in een korpsfunctie vanaf 1 januari 2012 de toekenning van en de overgang naar een LFNP-functie op gelijke wijze en volgens dezelfde regels uit te voeren, als in de periode voor 1 januari 2012. Indien de korpschef ten aanzien van de medewerkers met een nieuwe aanstelling in de periode vanaf 1 januari 2012 de Regeling en de TPT niet (analoog) zou toepassen, zou dat betekenen dat de korpsfuncties niet voor alle medewerkers op gelijke wijze overgaan naar een LFNP-functie. Dit acht de Raad niet aanvaardbaar. De door appellante voorgestane uitkomst zou voorts in strijd zijn met het doel en de strekking van de Regeling, waarmee blijkens de Toelichting op de Regeling landelijke uniformiteit en een consistente werkwijze zijn beoogd ter voorkoming van willekeur. Aan de in de artikel 2 van de Regeling genoemde datum van 31 december 2011, wordt bovendien niet de betekenis toegekend die appellante daaraan toegekend wil zien, namelijk dat sprake is van een fatale datum. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat vanaf die datum andere regels dan daarvóór zouden moeten gelden voor de overgang van een korpsfunctie naar een LFNP-functie. De Regeling en de TPT zijn tot stand gekomen in samenspraak met de politievakorganisaties en het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP). Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat met de beslissing de Regeling en de TPT analoog toe te passen op aanstellingen of wijzigingen in een korpsfunctie vanaf 1 januari 2012, geen sprake is van een wijziging van de Regeling en de TPT waarvoor (opnieuw) overeenstemming met het GOP zou zijn vereist.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in haar geval niet overeenkomstig de Regeling en de TPT is geschied. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. De enkele stelling dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest is hiervoor niet voldoende. Daarbij is nog van belang dat sprake is van de overgang van een organieke functiebeschrijving, waarbij wordt uitgegaan van het samenstel van opgedragen werkzaamheden, naar een meer generieke functiebeschrijving, waarbij wordt uitgegaan van de positie van de functie in de organisatie. Het standpunt van appellante dat de uitkomst van de matching in haar geval onhoudbaar is, omdat de werkzaamheden in beide functies niet meer overeen komen, kan gelet hierop niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de korpschef ter zitting nader heeft toegelicht, heeft dit vooral te maken met de manier van beschrijven.
Overigens heeft de korpschef ter zitting nog vermeld dat, nu in de regionale eenheid Midden-Nederland na de reorganisatie de functie van [naam 1] (schaal 4) niet meer zal voorkomen, het voorstelbaar is dat appellante zal worden geplaatst in de door haar geambieerde hogere LFNP-functie van [naam 3]schaal 5).
Uit 3.2. tot en met 3.6. volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Fotchind