OVERWEGINGEN
Appellant is werkzaam als [functie] in de rang van [naam rang] in de [regio].
Op 17 oktober 2012 heeft appellant verzocht om doorstroming naar een [naam functie] (GGP). In verband hiermee is over de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 november 2012 een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant. De functievervulling als geheel is beoordeeld met een score drie (voldoende). Ook alle onderdelen van de beoordeling zijn met een score drie beoordeeld, behoudens de competenties ‘resultaatgerichtheid’ en ‘initiatief’ die met een score vier (goed) zijn beoordeeld. Bij de beoordeling is ook een potentieel inschatting [naam] GGP gemaakt. De conclusie daarvan is dat appellant nog niet in aanmerking komt voor een rol als [naam] GGP. Bij besluit van 12 maart 2013 is de beoordeling vastgesteld.
Bij besluit van 10 april 2013 heeft de korpschef afwijzend beslist op het verzoek van appellant om doorstroming naar een seniorfunctie binnen de GGP. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat uit de recente beoordeling blijkt dat deze niet boven de norm is en dat uit de potentieel inschatting niet de verwachte geschiktheid voor de functie van [naam] GGP blijkt.
Bij besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef in overeenstemming met het advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond (bezwaaradviescommissie) de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 12 maart 2013 en 10 april 2013 gehandhaafd met dien verstande dat de competentie ‘initiatief’ en het onderdeel schriftelijk communiceren bij de competentie ‘communiceren’ buiten beschouwing worden gelaten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft naar voren gebracht dat de heroverweging van de beoordeling in bezwaar onvolledig is geweest, omdat in het advies van de bezwaaradviescommissie is vermeld dat de commissie van oordeel is dat de bij de beoordeling gegeven waarderingen niet op onvoldoende gronden berusten en dat in het totale beeld van de in de beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen deze toetsing kunnen doorstaan. De Raad volgt appellant op zichzelf in het standpunt dat het aanleggen van deze beperkte toetsingsmaatstaf zich niet zou verdragen met de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven volledige heroverweging in bezwaar. De Raad stelt evenwel tevens vast dat de bezwaaradviescommissie zich, gelet op de inhoud van het advies, feitelijk niet heeft beperkt tot de vraag of de op 12 maart 2013 vastgestelde beoordeling niet op onvoldoende gronden berust, maar het bezwaar ten volle inhoudelijk heeft beoordeeld. Dat betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat het bestreden besluit berust op een te beperkte heroverweging in bezwaar van het besluit van 12 maart 2013.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de beoordeling, zoals deze is gehandhaafd bij het bestreden besluit, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens appellant had korpschef expliciet moeten motiveren waarom bij de diverse onderdelen van de beoordeling die met een score drie zijn beoordeeld niet is gekozen voor score vier. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.
In dit geval zijn geen negatieve oordelen gegeven, maar is het functioneren van appellant op alle onderdelen en over het geheel (ten minste) met een score drie (voldoende), en dus positief, gewaardeerd. Nu appellant positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van de Raad van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547) levert de omstandigheid dat, zoals in dit geval, de beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming naar de functie van [naam] GGP geen grond op om de bewijslast bij het bestuursorgaan te leggen.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bij de verschillende onderdelen opgenomen toelichtingen de op die onderdelen toegekende scores kunnen dragen. Gelet op wat in 4.2.3 is overwogen kan appellant niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de korpschef op ieder onderdeel waarop een score drie is gegeven, expliciet had moeten toelichten waarom niet voor een score vier is gekozen. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij door het ontbreken van zulke toelichtingen in bewijsnood is komen te verkeren, slaagt dit betoog niet. Appellant functioneert volgens de beoordeling op het niveau van zijn functie. Om aannemelijk te maken dat een nog positiever oordeel op zijn plaats was geweest, was het aangewezen geweest om, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden, te laten zien dat het functioneren boven de functie-eisen uit is gestegen. Appellant heeft echter niets concreets in die richting aangedragen. De Raad constateert dat appellant zich kan vinden in de inhoud van het beoordelingsverslag en heeft volstaan met het leveren van kritiek op de scores.
Appellant heeft verder betoogd dat de beoordeling moet worden bezien in samenhang met de inhoud van de gedurende de beoordelingsperiode gehouden jaargesprekken van 19 mei 2011 en 31 januari 2012 en het jaargesprek van 23 april 2013. Doet men dat dan kan men volgens appellant tot geen andere conclusie komen dan dat de beoordeling van de functievervulling als geheel te laag is vastgesteld en dat de in de beoordeling opgenomen potentieel inschatting [naam] GGP onjuist is.
Dit betoog wordt niet gevolgd. Daarbij moet voorop worden gesteld dat jaargesprekken een ander karakter hebben dan beoordelingsgesprekken. De korpschef heeft ter zitting toegelicht dat tijdens de jaargesprekken de mogelijkheden en wensen van betrokkene centraal staan en dat bekeken wordt op welke punten de betrokken ambtenaar zich wil ontwikkelen. Omdat bij appellant de ambitie bestond om binnen vijf jaar of eerder te worden bevorderd naar een [naam] GGP functie zijn tijdens de jaargesprekken van 19 mei 2011 en 31 januari 2012 zijn ontwikkelingen op het gebied van coachen en samenwerken besproken. Anders dan appellant stelt kan uit de inhoud van die jaargesprekken niet worden afgeleid dat de beoordeling van de functievervulling als geheel te laag is vastgesteld en evenmin dat hij zonder voorbehoud heeft getoond te functioneren op het niveau van een seniorfunctie in de GGP. Ook uit het feit dat tijdens het jaargesprek van 23 april 2013 is geconcludeerd dat appellant boven het niveau van [functie] functioneert, kan dat niet worden afgeleid. Daarbij is van belang dat het jaargesprek slechts voor een deel de periode waarop de beoordeling ziet, overlapt en dat uit het verslag van het jaargesprek en dat van de hoorzitting van 16 augustus 2013 blijkt dat appellant juist na de periode waarop de beoordeling ziet op bepaalde aspecten vooruitgang heeft laten zien.
Uit 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde beoordeling in rechte standhoudt. Appellant heeft over de afwijzing van het verzoek om bevordering geen zelfstandige beroepsgronden ingediend. Dat brengt mee dat de rechtbank het beroep ook op dit onderdeel van het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) C.A.W. Zijlstra