ECLI:NL:CRVB:2016:2716

ECLI:NL:CRVB:2016:2716, Centrale Raad van Beroep, 18-07-2016, 13/5860 ZVW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-07-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/5860 ZVW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0018450

Samenvatting

Vaststelling verschuldigde bestuursrechtelijke premie op grond van de Zvw. De Raad heeft vastgesteld dat appellant in de basisregistratie personen op het adres is ingeschreven. Appellant is in hoger beroep op de juiste manier uitgenodigd. Er is voldoende gelegenheid geweest om het standpunt naar voren te brengen. Geen nadere behandeling door de rechtbank en geen terug verwijzing naar de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank dat geen bezwaar en beroep mogelijk is bij de bestuursrechter tegen de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie en de aanmelding als wanbetaler, is juist.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het Zorginstituut aan appellant medegedeeld dat hij op 15 september 2011 door zijn zorgverzekeraar Anderzorg Zorgverzekeraar als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is aangemeld. Met ingang van oktober 2011 zal een bestuursrechtelijke premie van € 148,95 per maand worden ingehouden op zijn inkomsten. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van

24 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard omdat op grond van (het destijds geldende)

artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onderdeel H, onder 4, van de Bijlage bij de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk is tegen de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie.

Bij besluit van 9 april 2012 heeft het Zorginstituut een eindafrekening bestuursrechtelijke premie op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgesteld waarbij is vastgesteld dat appellant over de periode oktober 2011 tot en met januari 2012 nog een bedrag van € 462,57 verschuldigd is.

Bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2012 ongegrond verklaard. Het Zorginstituut heeft vermeld dat bezwaar en beroep niet openstaat tegen een besluit inzake de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie. Met verwijzing naar de wettelijke regeling heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de eindafrekening van 9 april 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat met wat appellant in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, hij heeft betoogd dat hij geen bestuursrechtelijke premie verschuldigd is omdat hij ten onrechte door zijn zorgverzekeraar bij het Zorginstituut is aangemeld. Bezwaar en beroep tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie is echter op grond van

artikel 8:5, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1 van de Awb en onderdeel H, onder 4, van de Bijlage bij de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak uitgesloten. Zo appellant meent dat hij ten onrechte door zijn zorgverzekeraar is aangemeld, dient hij zich te wenden tot de zorgverzekeraar en vervolgens tot de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij van de rechtbank geen uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen. Verder heeft hij aangevoerd dat zonder wettelijke grondslag toepassing is gegeven aan de artikelen 18b, 18c en 18f van de Zvw en 8:5, eerste lid, van de Awb. Vanaf 23 oktober 2010 was de verzekering bij Anderzorg beëindigd en Anderzorg heeft hem eind juli 2011 onrechtmatig aangemeld als wanbetaler. Daardoor heeft hij financiële schade en gezondheidsschade geleden waarvoor hij onder verwijzing naar artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wenst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ter zitting van de rechtbank is alleen mr. S.J.A. Rood namens het Zorginstituut verschenen. Appellant is niet verschenen. De uitnodiging voor de zitting van

11 september 2013 is door de griffier van de rechtbank Rotterdam per gewone post en niet bij aangetekende brief of brief met ontvangstbevestiging verzonden. Dat betekent dat appellant niet op de in artikel 8:37, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van zijn zaak. De aangevallen uitspraak is dan ook tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat hierna wordt overwogen leidt dit echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en zal de Raad volstaan met het door de griffier van de Raad laten vergoeden van het in hoger beroep betaalde griffierecht.

De uitnodiging om ter zitting van de Raad op 23 maart 2016 te verschijnen en de uitspraak van de Raad van 11 april 2016, zijn per aangetekende post verzonden naar het door appellant in zijn hoger beroepschrift en in zijn brieven van 7 februari 2016, 10 maart 2016 en 29 maart 2016 gehanteerde adres. Nadat deze uitnodiging en de uitspraak – met daarop de aantekening van PostNL ‘Niet afgehaald’ – retour zijn gekomen heeft de Raad vastgesteld dat appellant in de basisregistratie personen op dat adres stond ingeschreven en zijn deze stukken per gewone post naar dat adres verzonden. Ook de aangetekend verzonden uitnodiging om op de zitting van 6 juni 2016 te verschijnen is – met daarop de aantekening ’Niet afgehaald’ – retour gekomen. De Raad heeft opnieuw vastgesteld dat appellant in de basisregistratie personen op het genoemde adres is ingeschreven. Appellant is in hoger beroep op de juiste manier uitgenodigd en voldoende in de gelegenheid geweest om zijn standpunt naar voren te brengen. De zaak behoeft daarom geen nadere behandeling door de rechtbank en zal niet naar de rechtbank worden terug gewezen.

Het oordeel van de rechtbank dat geen bezwaar en beroep mogelijk is bij de bestuursrechter tegen de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie en de aanmelding als wanbetaler, is juist. Dat de gang van zaken die heeft geleid tot de aanmelding van appellant als wanbetaler minder gelukkig is geweest, maakt dat niet anders.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat de griffier het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- aan appellant

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) N. Veenstra

TM

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2016/286
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?