OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is met ingang van 2 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 10% in verband met de gedeelde zorg voor zijn kind (co-ouderschapstoeslag) en een toeslag van 10% in verband met zijn woonlasten.
Met ingang van 1 juni 2011 heeft appellant zijn woning moeten verlaten. Bij besluit van 24 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2011, heeft het college per 1 juni 2011 de bijstand van appellant gewijzigd in die zin dat aan appellant bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande zonder enige toeslag. Bij uitspraak van 19 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep tegen het besluit van 1 november 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3119, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2012 bevestigd.
Met ingang van 19 oktober 2011 heeft appellant de beschikking gekregen over zelfstandige woonruimte. Bij besluit van 4 november 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 oktober 2011 gewijzigd in die zin dat aan appellant bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% in verband met zijn woonlasten. De hoogte van de bijstand was daarmee gelijk aan de bijstand die hij met ingang van 2 november 2011 ontving. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Bij brief van 15 september 2014 heeft de gemachtigde van appellant het college het volgende bericht: “Tijdens de behandeling van de zaak [appellant] tegen het College van B&[W] te Leiden is er door de procesvertegenwoordiger van de Gemeente toegezegd om uit te zoeken of en wanneer de fouten met betrekking tot het niet aan cliënt toekennen van de toeslag co-ouderschap (…) alsnog kunnen worden hersteld.” Bij brief van 23 september 2014 heeft het college de gemachtigde van appellant onder meer laten weten dat hij nader bericht ontvangt met betrekking tot de co-oudertoeslag.
Bij besluit van 16 oktober 2014, gericht aan appellant, heeft het college aan appellant met ingang van 1 september 2014 een co-ouderschapstoeslag van € 116,52 toegekend.
Bij brief van 6 november 2014 heeft de gemachtigde van appellant het college onder meer het volgende bericht: “Wilt U mij informeren omtrent de nog te betalen co-oudertoeslag. Dit loopt nu meer dan 1 jaar.”
Bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 16 oktober 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en, gelet op de in 1.6 genoemde brief, de ingangsdatum van de toegekende co-ouderschapstoeslag gewijzigd in 1 september 2013.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft aangevoerd dat de datum met ingang waarvan het college de
co-ouderschapstoeslag alsnog heeft toegekend willekeurig is en dat het college de
co-ouderschapstoeslag had moeten toekennen met ingang van de datum waarop hij er recht op heeft. Zoals ter zitting besproken is dit de datum waarop hij weer over zelfstandige woonruimte kon beschikken en opnieuw invulling kon geven aan het co-ouderschap
(19 oktober 2011).
Deze beroepsgrond slaagt. Niet in geschil is dat appellant vanaf 19 oktober 2011 voldeed aan de voorwaarden voor de co-ouderschapstoeslag en dat als gevolg van een fout het college heeft verzuimd hem deze toeslag bij het besluit van 4 november 2011 ambtshalve toe te kennen. Hierin heeft het college aanleiding gezien om bijzondere omstandigheden aanwezig te achten om de toeslag alsnog met beperkte terugwerkende kracht toe te kennen. Appellant voert terecht aan dat de enkele opmerking van zijn gemachtigde in diens brief van 6 november 2014 dat de zaak nu meer dan een jaar speelt, onvoldoende rechtvaardiging vormt om de terugwerkende kracht van de toekenning te beperken tot 1 september 2013. Dat appellant de zaak eerst in (september) 2013 aan de orde heeft gesteld, kan hem niet worden aangerekend. Het college heeft immers in het bestreden besluit zelf uitdrukkelijk erkend dat het besluit van 4 november 2011 niet zodanig duidelijk was dat appellant hier redelijkerwijs uit af moest leiden dat hij geen co-ouderschapstoeslag meer ontving. Appellant heeft weliswaar geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2011 waardoor dat besluit formele rechtskracht heeft verkregen, maar het college heeft niettemin in de bijzondere omstandigheden aanleiding gezien om terugwerkende kracht te verlenen aan de toekenning. Niet valt in te zien waarom in het geval van appellant dit besluit dan aan het verlenen van volledige terugwerkende kracht in de weg staat.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op 4.4 ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak voorzien door het besluit van 16 oktober 2014 te herroepen voor zover het de ingangsdatum van de co-ouderschapstoeslag betreft en te bepalen dat het college aan appellant per 19 oktober 2011 een co-ouderschapstoeslag toekent naar de toepasselijke hoogte.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 maart 2015;
- herroept het besluit van 16 oktober 2014, voor zover het de ingangsdatum van de
co-ouderschapstoeslag betreft, en bepaalt dat aan appellant een co-ouderschapstoeslag wordt
toegekend per 19 oktober 2011 naar de toepasselijke hoogte;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 maart 2015;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) C.A.W. Zijlstra