OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt sinds 14 januari 2008 bijstand laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.
Op 13 januari 2015 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eerste huur in verband met een verhuizing.
Bij besluit van 16 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van een eerste maand huur tot de incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en dat appellant voor deze kosten had moeten reserveren dan wel deze achteraf gespreid had moeten betalen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan tot het verlenen van bijzondere bijstand moet worden overgegaan. Appellant heeft niet met objectief verifieerbare gegevens aangetoond dat de verhuizing medisch noodzakelijk was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat een medische noodzaak bestond voor de verhuizing naar een woning met een lift. Sinds december 2014 gebruikt appellant elleboogkrukken om de door diabetes veroorzaakte wonden aan zijn voeten te ontzien. Appellant stelt dat het volgens zijn artsen raadzaam is als hij geen trappen loopt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant twee brieven van zijn revalidatieartsen overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
De kosten van een verhuizing moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit algemene bijstand en aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
In de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft het college terecht geen aanleiding gezien om bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van de eerste huur. Niet gebleken is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken. Appellant stond al langere tijd ingeschreven als woningzoekende en heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij gaat verhuizen omdat zijn huidige woning oud, tochtig en gehorig is. Dit betekent dat geen sprake was van een onvoorziene verhuizing. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen van zijn revalidatieartsen blijkt dat in december 2014 sprake was van onderbeengips en nadien het gebruik van elleboogkrukken is geadviseerd. Uit deze verklaringen blijkt echter, anders dan appellant stelt, niet van een medisch noodzaak of advies om te verhuizen naar een gelijkvloerse woning. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen geen sprake was van een plotselinge verhuizing en dat appellant voor de kosten van deze verhuizing had kunnen reserveren.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) J.L. Meijer