OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de voorzitter op 9 november 2015 een verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting heeft behandeld. Alhoewel deze voorlopige voorziening gunstig voor verzoeker is uitgepakt en de zitting ook prettig is verlopen, is verzoeker van mening dat de voorzitter zich toch ook al inhoudelijk heeft uitgelaten over de nog lopende gedingen tussen verzoeker en het college. Het betreft vooral de mededeling van de voorzitter dat het (in ieder geval waarschijnlijk) toch wel zo zou zijn dat de maatregel tot sociale activering stand zou houden. Dit is een rechtsvraag die nog voorligt in de andere hoger beroepen. Verzoeker is van mening dat de voorzitter daarover al een mening heeft en dus niet meer onbevangen tegen deze kwestie kan aankijken. Ten aanzien van de andere twee rechters heeft verzoeker aangevoerd dat hij niet weet in hoeverre er in het kader van de voorbereiding van de hoger beroepen al onderling contact is geweest met elkaar.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden heeft enkel door de omstandigheid dat die rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld (CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693, en CRvB 12 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3886). Er bestaat geen aanleiding om daar anders over te oordelen in een geval als dit, waarin de rechter op de zitting een voorlopig oordeel heeft gegeven in het kader van een voorlopige voorziening in een ander geding tussen verzoeker en het college dan de nu aanhangige gedingen en waarin partijen vervolgens een schikking hebben bereikt.
Nu geen andere omstandigheden zijn aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de voorzitter zijn mening al heeft gevormd en niet meer onpartijdig zou kunnen oordelen over de nu aanhangige gedingen tussen verzoeker en het college, is er geen grond voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de voorzitter.
Uit het voorgaande volgt dat de ten aanzien van de twee andere rechters aangevoerde gronden evenmin slagen.
Uit 3.2 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2016.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) L.H.J. van Haarlem
IvR