OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ondervindt beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. In verband hiermee beschikte appellante in 2012 en 2013 over hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Op 29 september 2014 heeft appellante opnieuw in het kader van de Wmo een aanvraag gedaan om hulp bij het huishouden.
Bij besluit van 3 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de twee inwonende meerderjarige kinderen van appellante de door haar benodigde huishoudelijke hulp als gebruikelijke zorg dienen te verlenen en dat niet is gebleken dat dit niet van hen verlangd kan worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet of onvoldoende heeft onderbouwd dat haar inwonende meerderjarige kinderen niet in staat zijn om het huishoudelijke werk van haar over te nemen. Het college heeft dan ook terecht aangenomen dat sprake is van gebruikelijke zorg waardoor appellante niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat van haar beide meerderjarige kinderen niet verwacht kan worden dat zij het huishoudelijk werk van appellante overnemen. Beide kinderen studeren en hebben een actief studentenleven. Ook hebben zij een bijbaan waardoor zij geen tijd hebben om appellante te helpen in het huishouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden. Op grond van artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 is op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2015.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanwege haar beperkingen is aangewezen op overname van huishoudelijke taken. Ook is niet in geschil dat tot de huishouding van appellante twee meerderjarige kinderen behoren. Tussen partijen is in geschil of deze kinderen de door appellante benodigde huishoudelijke zorg als gebruikelijke zorg aan haar dienen te verlenen.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de twee inwonende meerderjarige kinderen geen gebruikelijke zorg aan appellante zouden kunnen verlenen. Naar vaste rechtspraak van de Raad staan de door appellante genoemde omstandigheden aan het verlenen van gebruikelijke zorg niet in de weg (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3198). Verder blijkt uit het aanvraagformulier dat appellante heeft ingevuld dat de twee inwonende meerderjarige kinderen geen (lichamelijke) beperkingen hebben en heeft appellante geen omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit anders zou zijn. Dit betekent dat niet kan worden ingezien dat de door appellante benodigde huishoudelijke hulp niet als gebruikelijke zorg door haar inwonende meerderjarige kinderen kan worden verleend. Het college heeft de aanvraag op goede gronden afgewezen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) G.J. van Gendt