OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 26 september 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 8 maart 2013 staat appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).
Bij brief van 14 augustus 2014 heeft het college in het kader van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 augustus 2014. Appellant is zonder bericht niet verschenen op dat gesprek.
Bij besluit van 18 augustus 2014 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 18 augustus 2014 opgeschort, omdat hij niet is verschenen op de afspraak van 14 augustus 2014. Het college heeft appellant wederom uitgenodigd voor een gesprek op 21 augustus 2014 en meegedeeld dat de bijstand zal worden ingetrokken indien hij hieraan geen gevolg geeft. Appellant heeft op 21 augustus 2014 doorgegeven verhinderd te zijn. Het college heeft daarop appellant bij brief van 26 augustus 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 29 augustus 2014 en meegedeeld dat de bijstand zal worden ingetrokken indien hij hieraan geen gevolg geeft. Appellant is zonder bericht niet verschenen op dat gesprek.
Bij besluit van 5 september 2014 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van
18 augustus 2014.
Bij besluit van 26 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zonder bericht niet is verschenen op de afspraken van 18 en
29 augustus 2014. Onder verwijzing naar een rapport van 29 augustus 2014 en daarbij gevoegde bezorglijsten, heeft het college zich voorts op het standpunt gesteld dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de brieven van 14 en 26 augustus 2014 met de uitnodiging voor die afspraken daadwerkelijk bij appellant zijn bezorgd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij niet op de afspraken is verschenen, omdat hij de brieven van het college van 14 en 26 augustus 2014 niet heeft ontvangen. Volgens appellant heeft het college niet met een deugdelijke verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat die brieven daadwerkelijk bij hem zijn bezorgd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijke kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7532) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Dit geldt eveneens voor een ander document dat rechtens van belang is. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796) kan het in een brievenbus deponeren van een besluit voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan het college om aannemelijk te maken dat de brieven daadwerkelijk bij appellant zijn bezorgd.
Anders dan de rechtbank en het college en met appellant is de Raad van oordeel dat het college met het rapport van 29 augustus 2014 en de daarbij gevoegde bezorglijsten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 14 augustus 2014 daadwerkelijk bij appellant is bezorgd. In het rapport van 29 augustus 2014, opgemaakt en ondertekend door [namen rapporteurs] (rapporteurs), is vermeld dat de brief van 14 augustus 2014 persoonlijk is bezorgd op het uitkeringsadres door [namen B. en M.]. Daarmee staat vast dat de rapporteurs de brief van 14 augustus 2014 niet zelf hebben bezorgd bij appellant. Voor zover de rapporteurs aan hun rapportage de daarbij gevoegde bezorglijst ten grondslag hebben gelegd, blijkt uit die lijst niet dat op 14 augustus 2014 de brief van die datum met een uitnodiging voor een afspraak op 18 augustus 2014 bij appellant is bezorgd. Op de
- uitgeprinte - bezorglijst is handgeschreven een onleesbare en incomplete datum vermeld alsook de namen [namen B. en M.]. Verder is op die lijst niet meer vermeld dan de naam van appellant, het uitkeringsadres en het tijdstip 9:36. Het college heeft ter zitting
- desgevraagd - aangegeven dat niet meer of andere stukken voorhanden zijn over de bezorging van de brief van 14 augustus 2014.
Uit 4.2 volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, eerste lid, van de WWB, zodat het college niet bevoegd was om het recht op bijstand van appellant op te schorten. Daarom was het college vervolgens evenmin bevoegd om met toepassing van
artikel 54, vierde lid van de WWB de bijstand met ingang van 18 augustus 2014 in te trekken.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de wet.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.
Besluit 1 zal worden herroepen, omdat aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek niet kan worden hersteld. Nu de beschikbare gegevens voorts geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de bijstand met ingang van 18 augustus 2014 op een andere grond kan worden ingetrokken en het college dat overigens ook niet heeft gesteld, bestaat aanleiding ook besluit 2 te herroepen.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.976,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 november 2014;
- herroept de besluiten van 18 augustus 2014 en 5 september 2014 en bepaalt dat deze
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 november 2014;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.976,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) A. Stuut