OVERWEGINGEN
Appellante is werkzaam geweest als automatenschoonmaakster voor circa 33 uur per week. Zij heeft zich met ingang van 15 november 2010 ziek gemeld. Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 12 november 2012 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De voor dit besluit in aanmerking genomen mogelijkheden en beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 september 2012.
Op 20 november 2013 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Daartoe heeft zij aangevoerd dat haar conditie na de bevalling van haar jongste kind op 22 april 2013 verder is verslechterd, zowel op psychisch als op fysiek vlak. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv op 2 januari 2014 gerapporteerd dat de voor appellante per datum einde zwangerschapsverlof, 17 juli 2013, in aanmerking te nemen beperkingen niet veel afwijken van de eerder opgestelde FML van 7 september 2012. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen vastgelegd in een FML van 2 januari 2014. Uitgaande van deze FML heeft arbeidsdeskundig onderzoek uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 17 juli 2013 moet worden vastgesteld op 0%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 januari 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 16 juli 2013 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid op die datum minder dan 35% is.
Appellante heeft tegen het besluit van 20 januari 2014 bezwaar gemaakt, in het kader waarvan zij zich in het bijzonder heeft beroepen op een in het kader van de Ziektewet (ZW) opgemaakt rapport van een verzekeringsarts (ZW-arts) van 17 februari 2014. Volgens de ZW-arts heeft appellante een persoonlijkheid met borderline-trekken en was er bij haar op de datum van het spreekuur, 17 februari 2014, sprake van een onderliggende depressieve periode. Voorts heeft appellante met ingang van 18 februari 2014 geen vaste verblijfplaats, wat volgens de ZW-arts tot gevolg heeft dat het zeer moeilijk is om te kunnen spreken van duurzame arbeidsmogelijkheden. Op verzoek van de ZW-arts is bij brieven van 18 maart 2014 nadere medische informatie overgelegd door de huisarts van appellante, waaronder gegevens van de appellante behandelende psycholoog.
Op 26 juli 2014 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv vooropgesteld dat de beoordelingsdatum moet worden vastgesteld op 16 juli 2013, de dag waarop de uitkering van appellante op grond van de Wet arbeid en zorg afliep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor het overige de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML onderschreven en vastgesteld dat deze slechts in zoverre van de FML van 7 september 2012 verschilt dat in de FML van 2 januari 2014 niet langer een beperking is aangenomen op het aspect 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn). Er is dus sprake van minder beperkingen en om die reden geen sprake van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de amber-bepaling van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
Het rapport van de ZW-arts van 17 februari 2012 heeft niet tot een ander standpunt geleid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep had de informatie van de psycholoog betrekking op de situatie waarin appellante in september 2013 verkeerde. Op dat moment was er geen actuele diagnose op AS I en een uitgestelde diagnose op AS II in verband met perfectionistische trekken. Voorts was er sprake van ouder-kindproblematiek. Op 18 februari 2014 was er sprake van een afspraak met een psychiater in het ziekenhuis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bevindingen geen consequenties voor de huidige procedure hebben, omdat ze betrekking hebben op een datum die ruim na de datum in geding ligt en de gegevens wijzen op een acuut toestandsbeeld en niet op een wezenlijke achteruitgang van structurele aard.
Gelet op de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat er geen grond bestaat om aan te nemen dat het bestreden besluit berust op een onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er is geen reden te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er ten opzichte van de beoordeling in 2012 geen sprake is van een toename van beperkingen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante geen objectieve medische gegevens heeft overgelegd waaruit een toename van haar lichamelijke en/of psychische klachten blijkt. Weliswaar blijkt uit de bij de brief van de huisarts van 18 maart 2014 overlegde informatie van psychische problematiek, maar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat uit die brief niet blijkt dat op de datum in geding sprake is van een ernstige psychische stoornis, zoals door de ZW-arts werd aangenomen. In het standpunt van de ZW-arts dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft, heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat dit standpunt voor wat de datum in geding betreft niet nader gemotiveerd is.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv een verkeerd beeld van haar medische situatie op 16 juli 2013 heeft geschetst en dat de rechtbank dit standpunt ten onrechte heeft onderschreven. Appellante heeft zich daartoe opnieuw beroepen op de in 1.3 vermelde medische informatie van de ZW-arts. Zij heeft voorts een besluit van het Uwv van 11 maart 2015 overgelegd, waarbij zij met ingang van 14 juli 2015 in aanmerking is gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich sinds 12 november 2012, het tijdstip met ingang waarvan appellante eerder een WIA-uitkering werd geweigerd, geen toename van de beperkingen van appellante heeft voorgedaan. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 juli 2014 terecht heeft opgemerkt, brengt de rechtspraak van de Raad mee dat in deze situatie een arbeidskundig onderzoek achterwege kon blijven (CRvB 12 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792). Het door appellante in hoger beroep overgelegde besluit van 11 maart 2015, waarbij aan haar met ingang van 14 juli 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dit besluit betrekking heeft op een tijdstip dat geruime tijd na de datum in geding ligt.
5. Wat in 4.1 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2016.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) I.G.A.H. Toma