OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. In de uitspraak van 1 april 2014 heeft de Raad geoordeeld - kort samengevat - dat appellant de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Wet werk en bijstand (WWB) niet is nagekomen door aan de commissie geen melding te maken van zijn inkomsten in de periode van 1 september 2007 tot en met 31 juli 2010 uit de bedrijfsactiviteiten van een aantal stichtingen, waarvan hij enig bestuurder was. Als gevolg daarvan was de commissie naar het oordeel van de Raad bevoegd de kosten van bijstand van hem terug te vorderen.
Voor het onderhavige verzoek om herziening is namens appellant een beroep gedaan op een arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 3 november 2015. In dit arrest is appellant vrijgesproken van opzettelijke schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting. Het hof achtte wel bewezen dat appellant in de periode van
1 september 2007 tot en met 31 juli 2010 in strijd met de inlichtingenverplichting van
artikel 17 van de WWB heeft nagelaten tijdig de nodige gegevens te verstrekken door de inkomsten uit royalty’s van door hem geschreven boeken niet op te geven. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat appellant hiervan geen verwijt valt te maken. Appellant is derhalve in zoverre ontslagen van alle rechtsvervolging.
Tevens is bij het verzoek om herziening een beroep gedaan op de verklaring van
[naam K] (K), destijds re-integratiecoach van appellant, als getuige gehoord op
23 juni 2015 in het kader van de strafzaak, die resulteerde in voornoemd arrest.
De Raad is van oordeel dat het arrest van het gerechtshof niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Dit arrest is immers gegeven na de uitspraak van de Raad van 1 april 2014 waarvan herziening is verzocht, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, aanhef en onder a, van de Awb.
Uit de onder 3.2 genoemde verklaring valt af te leiden dat K destijds met (klant)medewerkers van de gemeente Breda heeft gesproken over het ondernemersprincipe, kort gezegd inhoudende dat eerst kan worden bepaald of sprake is van inkomsten van ondernemers als de kosten van de omzet zijn afgetrokken en de fiscale afrekening heeft plaatsgevonden. Tevens blijkt uit die verklaring dat K appellant en andere klanten steeds heeft uitgelegd hoe een en ander werkte maar hun nooit heeft verteld dat ze hun inkomsten wel of niet moesten opgeven. Het was K overigens niet bekend dat appellant omzet had gegenereerd in de vorm van royalty’s voor zijn boeken.
De verklaring van K werpt geen nieuw licht op de stelling van appellant dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting omdat zijn klantmedewerker gelet op diens contacten met K op de hoogte was van de inkomsten van appellant, dan wel omdat met appellant was afgesproken dat eerst sprake zou zijn van op te geven inkomsten als het saldo van omzet en kosten positief zou zijn. Aldus kan de verklaring ook niet dienst doen ter vaststelling van een (nieuw) feit als in artikel 8:119, aanhef en onder a, van de Awb bedoeld. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0895.
Uit 4.1 en 4.3 volgt dat geen sprake is van feiten of omstandigheden, die dateren van vóór de uitspraak van de Raad en waren zij bij de Raad eerder bekend, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Derhalve is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, aanhef en sub a en c, van de Awb.
Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen wordt het verzoek om herziening afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
C. Moustaïne als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2016.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C. Moustaïne