ECLI:NL:CRVB:2016:3555

ECLI:NL:CRVB:2016:3555, Centrale Raad van Beroep, 23-09-2016, 15/1290 WWAJ

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/1290 WWAJ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 9 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002154 BWBR0002221 BWBR0005537 BWBR0008657

Samenvatting

Weigering uitkering op grond van de Wet Wajong. Appellant kon op 10 november 1983 niet als ingezetene worden aangemerkt en was dus niet verzekerd voor de AAW.

Uitspraak

15/1290 WWAJ

Datum uitspraak: 23 september 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2015, 14/4625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2016. Namens appellant is mr. Maduro verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Appellant is [in] 1966 geboren op Curaçao. In 1989 is hij naar Nederland gekomen. In december 2013 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend bij het Uwv.

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het Uwv geweigerd een uitkering toe te kennen, omdat appellant op zijn 17e verjaardag niet in Nederland woonde of in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.

Bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat appellant op zijn 17e verjaardag niet in Nederland woonde en dat wonen in Curaçao volgens vaste rechtspraak niet gelijk gesteld kan worden met wonen in Nederland.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zoals volgt uit de uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) dient de aanvraag van appellant beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Op grond van artikel 2 van de AAW, zoals deze destijds luidde, is ingezetene in de zin van deze wet degene, die in Nederland woont. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de AAW wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.

Tussen partijen is in geschil of appellant op de dag dat hij 17 jaar oud werd, [in] 1983, als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908) komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

Niet in geschil is dat appellant tot zijn vertrek naar Nederland in 1989, in Curaçao heeft gewoond en dat zijn (sociale) leven zich daar tot die tijd heeft afgespeeld. Het feit dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft, dat hij familieleden in Nederland heeft wonen, wellicht al eerder de intentie had naar Nederland te komen en achteraf gezien in Nederland is gebleven, vormen onvoldoende reden om aan te nemen dat er in het geval van appellant een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland bestond op zijn 17e jaar.

Appellant heeft zich er voorts op beroepen dat hij in ieder geval wel ingezetene was van het Koninkrijk der Nederlanden en dat dit gelijkgesteld moet worden met het ingezetenschap van Nederland. Daarbij heeft hij gewezen op het concordantiebeginsel van artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden waaruit volgt dat de wetten in de verschillende Koninkrijksdelen zoveel mogelijk op elkaar dienen aan te sluiten. Deze grond slaagt niet. Vaste rechtspraak is (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1959, BNB 1959/162) dat met wonen binnen het Rijk, zoals dat tot 1 januari 1990 in artikel 2 van de AAW stond, wordt gedoeld op wonen op Nederlands grondgebied op het Europese continent, dus binnen Nederland. Het wonen op het Caribisch deel van Nederland kan dan ook niet gelijk gesteld worden met het wonen in Nederland. De Raad is voorts niet bevoegd tot toetsing van de AAW aan het Statuut (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725), nog daargelaten dat artikel 39 van het Statuut geen betrekking heeft op bestuursrecht en sociaalzekerheidsrecht. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Raad van 1 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1225).

Ook het beroep van appellant op de ongerechtvaardigde ongelijke behandeling naar woonplaats slaagt niet. In het midden wordt gelaten of gesproken kan worden van gelijke gevallen nu, zo dit het geval zou zijn, de ongelijke behandeling in ieder geval gerechtvaardigd is. Voor het begrip verzekerde in de AAW is niet de nationaliteit van belang maar, voor zover hier van belang, het ingezetenschap. Nederlanders, niet woonachtig in Nederland, kunnen in beginsel niet op grond van ingezetenschap verzekerd zijn voor de AAW. Daarbij is niet van belang in welk ander land dan Nederland betrokkenen woonachtig zijn. In die zin wordt iedere Nederlander woonachtig buiten Nederland gelijk behandeld. Voor de beperking van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen tot in beginsel ingezetenen, bestaat volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BX9203) een toereikende objectieve rechtvaardiging.

Het hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene leidt tot de conclusie dat appellant op 10 november 1983 niet als ingezetene kon worden aangemerkt en dus niet verzekerd was voor de AAW. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2016.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) M.S.E.S. Umans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?