OVERWEGINGEN
Appellant is laatstelijk voor 35 tot 50 uur per week (voornamelijk) werkzaam geweest als schoonmaker en (incidenteel) als afwasser. Op 24 februari 2012 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, met diverse lichamelijke klachten ziek gemeld. Aan hem is vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Nadat appellant twee keer het spreekuur van een arts van het Uwv heeft bezocht, is deze arts op grond van zijn bevindingen uit eigen onderzoek alsmede verkregen informatie van de huisarts tot de conclusie gekomen dat er geen medisch objectiveerbare beperkingen zijn vast te stellen en dat appellant hersteld is voor zijn maatgevende arbeid. Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 23 oktober 2012 beëindigd.
Bij besluit van 15 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bedrijfsarts, arts bezwaar en beroep, van 22 november 2012 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van het Uwv over de beperkingen van appellant. Het Uwv heeft onderkend dat appellant klachten heeft, maar tevens voldoende gemotiveerd dat er onvoldoende objectiveerbare gegevens zijn om te oordelen dat appellant niet in staat zou zijn om zijn arbeid te verrichten. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waarin de oorzaak van zijn lichamelijke klachten en de gestelde spanningsklachten objectiveerbaar zijn vastgesteld, dan wel die anderszins aanleiding zouden kunnen zijn om de bevindingen van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken.
3. In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat het medisch onderzoek niet door een geregistreerd verzekeringsarts heeft plaatsgevonden en zodoende niet voldoet aan de wettelijke voorschriften. Appellant heeft verder aangevoerd dat een diagnose of oorzaak niet doorslaggevend is voor de beoordeling of hij wel of niet geschikt is voor zijn arbeid, maar dat het gaat om de klachten en de beperkingen die hij heeft. Appellant is van mening dat zijn duizeligheidsklachten hem beperken en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij met deze klachten zijn arbeid kan verrichten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 28 van de ZW is de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen arts, en in het algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
Ter uitvoering van artikel 39 van de ZW (het artikel op basis waarvan het Uwv controle mag verrichten op het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte) heeft het Uwv controlevoorschriften vastgesteld.
In artikel 1, aanhef en onder b, van de Controlevoorschriften Ziektewet 2010 is bepaald dat in dit besluit onder verzekeringsarts wordt verstaan een arts, werkzaam voor het Uwv, die ingeschreven staat in het specialistenregister van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie (SGRC) of in opleiding daarvoor is.
Appellant betwist dat de primaire arts een bevoegd verzekeringsarts of een verzekeringsarts in opleiding is. Ook de heroverweging in bezwaar had volgens appellant door een verzekeringsarts moeten plaatsvinden in plaats van door een bedrijfsarts.
Ter zitting van de Raad is de vraag of de betrokken artsen geregistreerd stonden in het zogenoemde BIG-register, dan wel stonden ingeschreven in het specialistenregister van de SGRC, onbeantwoord gebleven, wat voor de Raad aanleiding was het onderzoek te heropenen en het Uwv hierover nadere vragen te stellen. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat de primaire arts R.J. Tegelaar een specialistische opleiding tot uroloog heeft afgerond en in het BIG-register staat ingeschreven als basisarts. Ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 23 oktober 2012 was de arts bezig met de basisopleiding verzekeringsgeneeskunde, een interne opleiding van het Uwv, en moesten zijn rapporten mede ondertekend worden door een verzekeringsarts, wat in deze zaak niet is gebeurd. Daarmee is de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek naar het oordeel van de Raad onvoldoende gewaarborgd, nu dit uitsluitend is verricht door een basisarts van wie niet is gebleken dat hij in opleiding was om te worden ingeschreven in het in 4.3 genoemde specialistenregister.
Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2007:BC0361). In dit geval heeft het onderzoek in de bezwaarfase plaatsgevonden door een bedrijfsarts. Het Uwv heeft documenten overgelegd waaruit blijkt dat de bedrijfsarts P.C.M. den Bieman een opleiding in de verzekeringsgeneeskunde en bedrijfsgeneeskunde heeft afgerond en in het BIG-register staat ingeschreven als arts, specialisme arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde, en dat hij als bedrijfsarts van
1 augustus 2000 tot 1 januari 2015 stond ingeschreven in het specialistenregister. Nu de bedrijfsarts ten tijde van de onderzoeken op 22 november 2012 en op 5 juni 2013 stond ingeschreven in het specialistenregister van de SGRC en werkzaam was voor het Uwv, is naar het oordeel van de Raad voldaan aan het vereiste van artikel 1, aanhef en onder b. van de Controlevoorschriften Ziektewet 2010. De Raad is met het Uwv van oordeel dat in dit geval de bedrijfsarts bevoegd was om in bezwaar een (zelfstandig) medisch onderzoek te verrichten. Aan het enkele feit dat het bestreden besluit berust op het rapport van 22 november 2012, kan niet de conclusie worden verbonden dat dit besluit niet zorgvuldig is voorbereid.
De bedrijfsarts heeft dossierstudie verricht, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Daarbij heeft de bedrijfsarts informatie opgevraagd bij de KNO-arts en deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. Uit de informatie van de KNO-arts van 31 december 2013 blijkt dat appellant sinds vijf maanden duizeligheidsklachten heeft. Het onderzoek liet geen afwijkingen zien en geen aanwijzingen voor vestibulaire duizeligheid. Volgens de KNO-arts kunnen de klachten passen bij spanningen. De KNO-arts heeft verder geen adviezen gegeven over werkbelasting of voor het verrichten van arbeid. In zijn rapport van 22 november 2012 heeft de bedrijfsarts op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd onzorgvuldig of onvolledig is geweest.
Wat appellant in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gaat het om de vaststelling van objectiveerbare beperkingen voor het verrichten van arbeid. Een diagnose, evenmin als de eigen opvatting van appellant daarover, is niet doorslaggevend. Door appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding, te weten 23 oktober 2012, zijn lichamelijke dan wel psychische klachten dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van relevante arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. De voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder de medische informatie waarop door appellant een beroep is gedaan, biedt daarvoor geen grond.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) N. van Rooijen