OVERWEGINGEN
1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.
Appellant was als sergeant der eerste klasse van 7 januari 2013 tot maart 2014 werkzaam als planner/werkvoorbereider. Hij is vanaf 11 maart 2014 geschorst omdat was geconstateerd dat appellant gedurende langere tijd veelvuldig onjuiste declaraties had ingediend voor reiskosten en horeca-maaltijden. Bij besluit van 19 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 augustus 2015, is aan appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement ontslag wegens wangedrag verleend. Het wangedrag bestond, kort samengevat, uit de indiening van
horeca-declaraties terwijl hij zich op een kazernelocatie had bevonden, en van declaraties voor eigen vervoer terwijl hij gebruik had gemaakt van een dienstauto dan wel een huurauto.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de concrete gedragingen die aan het wangedrag ten grondslag liggen voldoende zijn vastgesteld en aan appellant kunnen worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontslag niet onevenredig is aan het wangedrag.
Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat hij kan terugkeren bij Defensie. Ter zitting heeft appellant zijn hoger beroepsgronden beperkt tot de onevenredigheid van de maatregel van ontslag en de schending van het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft zijn eerdere stelling dat hij door de onjuiste declaraties niet was bevoordeeld niet gehandhaafd.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft zijn beroep op schending door de minister van het gelijkheidsbeginsel niet onderbouwd en heeft ook ter zitting daarvan geen voorbeelden kunnen geven. Reeds daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
De beantwoording van de vraag of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, is vervolgens beperkt tot de vraag of de maatregel van ontslag niet onevenredig is aan het appellant verweten wangedrag.
Appellant heeft in verband met de evenredigheid aangevoerd, dat hij weliswaar slordig is geweest bij de indiening van zijn declaraties, maar geen kwaad opzet heeft gehad. Hij heeft erop gewezen dat declaraties bij Defensie altijd werden goedgekeurd voordat ze werden uitbetaald. Daarom heeft hij erop vertrouwd en erop mogen vertrouwen dat zijn declaraties in overeenstemming waren met de bij Defensie geldende regelgeving. Mede omdat hij een lange diensttijd heeft meent hij dat het ontslag wegens wangedrag onevenredig is.
De minister heeft hier tegenover gesteld dat de leidinggevende bij het al dan niet goedkeuren van declaraties geen zicht heeft op hetgeen er feitelijk heeft plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld het verblijf op een kazernelocatie met de daarmee gegeven mogelijkheid op de kazerne de lunch te gebruiken. Verder laat de goedkeuring van declaraties door de leidinggevende geheel onverlet dat de militair een eigen verantwoordelijkheid heeft bij het indienen van declaraties. Appellant heeft weliswaar een lange diensttijd, maar hij heeft over een lange periode structureel onjuiste declaraties ingediend en een veel hogere vergoeding in ontvangst genomen dan de kosten die hij daadwerkelijk had gemaakt. Omdat ten behoeve van een goed functionerende krijgsmacht veel waarde wordt gehecht aan de integriteit en betrouwbaarheid van militairen acht de minister de maatregel van ontslag evenredig aan de aard en ernst van het wangedrag.
Met de minister is de Raad van oordeel dat het ontslag wegens wangedrag niet als onevenredig kan worden aangemerkt. Appellant heeft niet weersproken dat een leidinggevende bij het goedkeuren van declaraties geen zicht heeft op de feitelijke omstandigheden van de dienstreis. Appellant moet hier ook goed van op de hoogte zijn geweest, omdat hij zelf als plaatsvervangend leidinggevende ook meermalen declaraties heeft beoordeeld. Het moest hem dus bekend zijn dat hij aan het goedkeuren van zijn declaraties slechts een beperkte betekenis mocht toekennen. De minister hecht terecht veel belang aan de integriteit en betrouwbaarheid van militairen. Daarom kan de Raad in de lange diensttijd van appellant geen grond zien voor het oordeel dat het ontslag vanwege het langdurig indienen van onjuiste declaraties, dat een ernstige schending van appellants integriteit oplevert, daaraan onevenredig zou zijn.
Uit 3.4 en 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en H.C.P. Venema en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A. Mansourova