OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het Zorgkantoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan appellante voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
Het Zorgkantoor heeft van appellante onder meer verantwoordingsformulieren over de eerste en tweede helft van het jaar 2012, een zorgovereenkomst afgesloten met Bizim Zorg, bankafschriften en facturen ontvangen.
Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2012 vastgesteld. Daarbij is overwogen dat aan appellante een pgb van € 11.581,80 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat van de door appellante ingezonden verantwoording een bedrag van € 3.267,78 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellante een bedrag van € 8.064,02 wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het tegen het besluit van 30 mei 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de door appellante aangeleverde stukken diverse gebreken vertonen. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de voorschotten van het pgb op juiste wijze, conform de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), zijn besteed aan het inkopen van zorg.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het aan het handelen van de zorgverlener Bizim Zorg te wijten is dat de administratie en facturering niet op orde zijn. Er is echter wel daadwerkelijk betaald aan Bizim Zorg en Bizim Zorg heeft ook zorg verleend aan appellante.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 2.6.9, eerste lid, van de op artikel 44 van de AWBZ gebaseerde Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd.
Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.
Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Dit besluit dient tevens te worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.
Niet in geschil is dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.
De door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat de zorg waarvoor het pgb is verstrekt, ook daadwerkelijk aan appellante is verleend en hiervoor ook daadwerkelijk is betaald. Dat de niet op orde zijnde pgb-administratie, waaronder het ontbreken van werkbriefjes, te wijten zou zijn aan de handelswijze van de door appellante ingeschakelde zorgverlener, Bizim Zorg, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellante komt. Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde.
Door appellante zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering had kunnen overgaan.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) V. van Rij