OVERWEGINGEN
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).
Appellante was tot de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) aangesteld bij de voormalige politieregio Rotterdam-Rijnmond.
De uitgangspositie van appellante voor de omzetting naar het LFNP is vastgesteld op de functie van [functie 1]. Appellante heeft tegen de uitgangspositie geen rechtsmiddelen aangewend.
Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellante gelegenheid te hebben geboden daarover haar bedenkingen kenbaar te maken, heeft de korpschef op
16 december 2013 ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2], domein [domein], met als vakgebied [vakgebied 1], gewaardeerd in salarisschaal 6 (overgangsbesluit).
Bij besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 16 december 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de matching in haar geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten, omdat de korpschef niet het meest vergelijkbare vakgebied en de meest vergelijkbare functie heeft gekozen. De matching had moeten resulteren in overgang naar en toekenning van de functie van [functie 3] binnen het vakgebied [vakgebied 2], nu uit de beschrijving van de korpsfunctie van [functie 1] kan worden opgemaakt dat de nadruk ligt op het verzamelen en onderzoeken van tactische gegevens ten behoeve van de waarheidsvinding rond misdrijven.
Zoals de rechtbank ook al heeft overwogen, heeft de Raad in de in 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 geoordeeld dat aan de transponeringstabel, behorende bij de Regeling, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest is niet voldoende.
De Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) schrijft in Deel III, hoofdstuk C, paragraaf 1, voor dat een korpsfunctiebeschrijving van [functie 1] gematcht moet worden met een LFNP-functie in het vakgebied [vakgebied 1] en niet met een LFNP-functie in het vakgebied [vakgebied 2] (ook domen [domein]). Dat vakgebied lijkt wellicht het meest vergelijkbaar, maar is dat niet, aldus de Handleiding. Deze keuze is in de Handleiding als volgt toegelicht. Het vakgebied [vakgebied 2] richt zich (uitsluitend) op criminaliteitsbestrijding door misdrijven te onderzoeken. De kern van alle tot dit vakgebied behorende functies wordt gevormd door activiteiten en resultaten op het gebied van de validatie van onderzoeksgegevens, de totstandbrenging van bewijslast, processen-verbaal, geregistreerde gegevens en het aanwenden van dwangmiddelen. In het vakgebied [vakgebied 2] zijn rechercheurs werkzaam die op het gehele spectrum van de [vakgebied 2] inzetbaar zijn. Dat geldt ook voor de [functie 3] (salarisschaal 6), zij het dat die functie nog geen vakvolwassen functie betreft. Dat betekent dat de [functie 3] zelfstandig tactische opsporingsonderzoeken uitvoert met een routinematig karakter, bij de kernactiviteiten en -resultaten van zijn functie ten minste begeleid wordt door een Generalist [vakgebied 2] en meeromvattende zaken kan overdragen. Van belang is verder dat de [functie 3] werkzaam is op het gehele vakgebied van de [vakgebied 2] én in ondersteunende zin bijdraagt aan de opsporing van daders van misdrijven in meer complexe opsporingsonderzoeken. De korpsfunctiebeschrijving van [functie 1] voldoet blijkens de Handleiding niet aan hetgeen hiervoor is gesteld, waardoor alle LFNP-functies binnen het vakgebied [vakgebied 2] niet zijn aan te merken als zijnde het meest vergelijkbaar. Het vakgebied [vakgebied 1] draagt (onder andere) bij aan criminaliteitsbestrijding, zoals het vakgebied [vakgebied 2] dit in bredere en diepgaande zin doet. De korpsfunctiebeschrijving van [functie 1] is ondersteunend aan de opsporing en heeft veelal een administratief karakter. Dat maakt het vakgebied [vakgebied 1] tot het meest vergelijkbare.
Ter zitting van de Raad heeft de korpschef nog benadrukt dat de functie van [functie 1] in tegenstelling tot de functie van [functie 3] geen executieve functie is en dat de [functie 1], anders dan de [functie 3], niet bevoegd is om dwangmiddelen te gebruiken. Ook dit is volgens de korpschef een wezenlijk element dat het vakgebied [vakgebied 1] tot het meest vergelijkbare maakt.
De Raad heeft geen reden aan de juistheid van het vorenstaande te twijfelen. De conclusie is dan ook dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in haar geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Dat een andere uitkomst, zijnde de door appellante gewenste functie van [functie 3] in het vakgebied [vakgebied 2], ook verdedigbaar zou zijn geweest, kan niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter, in tegenwoordigheid van
A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) A. Mansourova