OVERWEGINGEN
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).
Appellant was tot de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) in de periode van 1997 tot 2002 werkzaam in de functie van [functie 1], salarisschaal 14, bij de (voormalige) politieregio [regio 1]. Vanaf 2002 heeft appellant jarenlang op uitleen- en detacheringsbasis binnen en buiten de sector politie verschillende functies vervuld. Appellant verrichtte deze vanuit de functie van [functie 2], salarisschaal 13, waarin hij was geplaatst, met behoud van zijn bezoldiging overeenkomstig salarisschaal 14.
De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP is vastgesteld op de functie van [functie 2], salarisschaal 13. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de vaststelling van zijn uitgangspositie.
Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant gelegenheid te hebben geboden daaromtrent zijn bedenkingen kenbaar te maken, heeft de korpschef op 8 januari 2014 ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 3], met als vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen, gewaardeerd in salarisschaal 13.
Bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 8 januari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat ten onrechte de uitgangspositie van [functie 2], salarisschaal 13, is gebruikt voor de matching. Er had rekening gehouden moeten worden met het executieve karakter van de (feitelijke) werkzaamheden die hij tijdens zijn detachering heeft verricht. Dan zou ook zijn gekozen voor het domein Uitvoering en niet voor het domein Ondersteuning. Dat alles zou hebben moeten leiden tot toekenning van en overgang naar de functie van [functie 4], salarisschaal 14. Er had niet simpelweg om administratieve redenen voor plaatsing in de functie van [functie 2] gekozen mogen worden. Appellant heeft zich verder beroepen op de hardheidsclausule en op het gelijkheidsbeginsel.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de uitgangspositie van [functie 2] en de daarbij behorende salarisschaal 13 had hij aan de orde moeten stellen in een bezwaarprocedure tegen het besluit over zijn uitgangspositie. Nu hij tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend staat zijn uitgangspositie in rechte vast. De vastgestelde uitgangspositie van [functie 2] en de daarbij behorende
salarisschaal 13 gelden daarom als een gegeven en kunnen in dit hoger beroep niet meer aan de orde worden gesteld. De Raad onderschrijft verder hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.
Het is de Raad, net als de rechtbank, niet gebleken dat de matching van appellant resulterend in de toekenning van en de overgang naar de functie van [functie 3] niet in overeenstemming met de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) en de bijbehorende transponeringstabel is geschied, dan wel dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten.
De stelling van appellant dat bij de matching rekening had moeten worden gehouden met de werkzaamheden die hij tijdens zijn detachering(en) heeft verricht, slaagt niet. Hiertoe is allereerst van belang dat in de ten aanzien van appellant opgemaakte detacheringsovereenkomsten is afgesproken dat hij na afloop van de detachering in beginsel terugkeert in zijn oorspronkelijke functie, zijnde de functie van [functie 2]. De matching op basis van de oorspronkelijke functie van appellant was dan ook geheel in lijn met deze afspraak. Verder is van belang dat, zoals de Raad in zijn uitspraak van 17 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:960) in een geval van detachering buiten de sector politie heeft overwogen, de regelgever uitdrukkelijk beoogd heeft dat bij de matching geen rekening wordt gehouden met de tijdens de detachering verrichte werkzaamheden.
Voor zover appellant heeft gesteld dat de Regeling ten onrechte niet voorziet in matching op basis van de salarisschaal verwijst de Raad naar hetgeen hij ter zake heeft overwogen in de in 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015.
Ook het beroep op de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling neergelegde hardheidsclausule slaagt niet. De hardheidsclausule is niet bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. De hardheidsclausule is niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren. Dit volgt ook uit de toelichting op artikel 5, vierde lid, van de Regeling, waarin het grote belang is benadrukt van een juiste vaststelling van de uitgangspositie.
Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De korpschef heeft gemotiveerd betoogd dat de situatie van de door appellant genoemde collega uit de voormalige politieregio [regio 1] niet gelijk is aan die van appellant. Bij appellant is in het besluit tot vaststelling van de uitgangspositie vermeld dat hij na detachering terugkeert in zijn oorspronkelijke functie van [functie 2] en dat dit zijn uitgangspositie is. Op basis daarvan heeft de matching plaatsgevonden. Met de collega zijn afspraken gemaakt die ertoe hebben geleid dat zij vooralsnog niet zal worden gematcht. Zij is dan ook niet, zoals appellant heeft gesteld, overgegaan naar een LFNP-functie, laat staan de functie van [functie 4] F. Appellant heeft dit niet betwist.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
24 november 2016.
(getekend) K.J. Kraan
De griffier is verhinderd te ondertekenen.