OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant, die bekend is met psychiatrische problematiek, ontving van 15 augustus 2012 tot 29 september 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is beëindigd omdat appellant vanaf de laatstgenoemde datum niet woonachtig was in [woonplaats] op het adres waarop hij in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) stond ingeschreven. Tegen het beëindigingsbesluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Op 27 december 2012 heeft appellant zich bij de gemeente Enschede gemeld voor het aanvragen van een briefadres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (Wet GBA) op het adres [adres 1] . Op 29 januari 2013 is de aanvraag om inschrijving op het briefadres afgewezen. Op 1 februari 2013 heeft appellant zich opnieuw bij de gemeente Enschede gemeld voor het aanvragen van een briefadres, ditmaal op het adres [adres 2] . Bij brief van 5 februari 2013 heeft het college appellant bericht dat hij met ingang van 1 februari 2013 staat ingeschreven op genoemd briefadres, tot 1 mei 2013. Op 14 mei 2013 heeft appellant verzocht om een verlenging van die termijn. Daarop is de inschrijving verlengd voor onbepaalde tijd.
Op 8 april 2013 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand ingediend.
Op 17 april 2013 heeft appellant zich gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Op
23 april 2013 heeft hij de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat zijn briefadres [adres 2] is, dat hij in een daklozensituatie verkeert waarbij hij logeert op diverse adressen en dat hij bijstand wenst met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2012, vanaf 27 december 2012 dan wel vanaf 1 februari 2013.
Bij besluiten van 14 mei 2013 en 6 juni 2013, gehandhaafd bij besluit van
2 september 2013, heeft het college de in 1.3 en 1.4 vermelde aanvragen afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Door daarvan aan het college geen mededeling te doen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij uitspraak van 4 maart 2014 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 september 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellant met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant een aanvraag om bijstand voor een
dak- en thuisloze heeft ingediend en dat voor de beoordeling van het recht op bijstand niet van belang is of appellant feitelijk woont op het door hem opgegeven adres. Het besluit van
2 september 2013 berust daarom op een onjuiste grondslag. De rechtbank heeft het college opgedragen te beoordelen of appellant in de hoedanigheid van (zwervende) dakloze recht heeft op algemene bijstand en bijzondere bijstand. Bij deze beoordeling dient het college bij appellant informatie op te vragen over de feitelijke woon- en leefsituatie in de periode in geding.
Bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2014 een nieuwe beslissing op de bezwaren genomen. Daarbij heeft het college de afwijzing van de aanvragen om algemene bijstand en bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand wederom gehandhaafd. Daartoe heeft het college overwogen dat appellant sinds 14 april 2013 een vaste verblijfplaats heeft op het adres [adres 3] . Appellant is daarom niet aan te merken als een (zwervende) dakloze en kan dan ook geen bijstand ontvangen op een briefadres, ook al is dit briefadres voor onbepaalde tijd aan appellant toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant een aanvraag om bijstand voor een dak- en thuisloze heeft ingediend. Omdat appellant sinds 14 april 2013 verblijft aan [adres 3] is appellant echter geen (zwervende) dakloze en zijn de bepalingen over een briefadres niet van toepassing.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Algemene bijstand, periode vanaf de melding van 17 april 2013
Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0554), geldt dit ook voor iemand die stelt dakloos te zijn.
Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt bijstand aan een reeds in de GBA ingeschreven belanghebbende, ook als die feitelijk geen vaste verblijfplaats heeft (dak- en thuisloze met adres) verleend door de gemeente waar die dak- en thuisloze staat ingeschreven, en wordt bijstand aan een niet in de GBA ingeschreven dak- en thuisloze (adresloze) verleend door een daarvoor bij het Besluit WWB aangewezen centrumgemeente, die op grond van artikel 40, tweede lid, van de WWB aan de adresloze vervolgens een briefadres verstrekt, waarvan de adresloze aangifte moet doen in de GBA. Voor beide groepen geldt aldus dat ze ingeschreven moeten staan in de GBA. Het recht op bijstand is gekoppeld aan een juiste inschrijving in de GBA, zodat een college de feitelijke woon- en leefsituatie van de belanghebbende kan verifiëren. Daarbij is niet van belang of de betrokkene als dak- en thuisloze met adres dan wel als adresloze wordt aangemerkt.
Vast staat dat appellant toen hij zich op 17 april 2013 meldde voor het aanvragen van bijstand in de gemeente Enschede in de GBA stond ingeschreven op een briefadres. Gelet hierop was appellant op dat moment niet aan te merken als een adresloze als bedoeld in 4.2.
Niet in geschil is dat appellant vanaf 14 april 2013 een vaste verblijfplaats had aan het adres Het [adres 3] . Gelet hierop kon appellant vanaf 17 april 2013 evenmin worden aangemerkt als een (zwervende) dak- en thuisloze met adres als bedoeld
in 4.2.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, het college de aanvraag om bijstand als (zwervende) dak- en thuisloze voor zover die ziet op de periode vanaf de melding van 17 april 2013 op goede gronden heeft afgewezen.
Algemene bijstand, terugwerkende kracht
Appellant heeft al bij zijn aanvraag van 23 april 2014 kenbaar gemaakt dat hij aanspraak maakt op bijstand als (zwervende) dak- en thuisloze met ingang van een eerdere datum dan
17 april 2013. Daarbij heeft appellant drie data genoemd en met feiten en omstandigheden onderbouwd waarom de bijstand op die data zou moeten ingaan.
Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.
Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het niet heeft bezien of de door appellant bij de aanvraag aangevoerde feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat appellant mogelijk met ingang van een van de drie andere data die hij bij zijn aanvraag heeft genoemd, aanspraak kan maken op bijstand als (zwervende) dak- en thuisloze. Door dit na te laten heeft het college het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust dit besluit op een ontoereikende motivering. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bijzondere bijstand
Nu appellant ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand van 8 april 2013 nog geen vaste verblijfplaats had, berust het bestreden besluit voor zover daarbij die aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant vanaf 14 april 2013 een vaste verblijfplaats heeft, eveneens op een ontoereikende motivering. Ook in zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.
Conclusie
Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanvraag om algemene bijstand met terugwerkende kracht als dak- en thuisloze met adres dan wel als adresloze, en de aanvraag om bijzondere bijstand niet in stand kan blijven.
Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Het college moet alsnog onderzoeken of bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat appellant met ingang van een eerdere datum dan de meldingsdatum van 17 april 2013, recht heeft op algemene bijstand als dak- en thuisloze met adres dan wel als adresloze. Voorts moet het college alsnog onderzoeken of appellant ten tijde van de aanvraag op 8 april 2013 recht had op bijzondere bijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 23 juni 2014 te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.L. Boxum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) C. Moustaïne