ECLI:NL:CRVB:2016:4809

ECLI:NL:CRVB:2016:4809, Centrale Raad van Beroep, 13-12-2016, 16/430 PW-W

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-12-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/430 PW-W
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Wraking
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Afwijzing verzoek om wraking.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

In hun wrakingsverzoek hebben verzoekers ook de naam van R.H.M. Roelofs vermeld. Deze rechter is echter niet belast met de behandeling van het hoger beroep van verzoekers tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2015, zodat het verzoek in zoverre niet in behandeling wordt genomen.

Verzoekers hebben ter zitting uitgelegd dat hun verzoek om wraking met betrekking tot J.L. Boxum wordt ingetrokken, zodat alleen het verzoek om wraking van G.M.G. Hink (Hink) resteert.

2. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de reden van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

3. Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr.Hink deel heeft uitgemaakt van de meervoudige kamer van de Raad die bij uitspraak van 5 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1222) het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2137) heeft afgewezen. Tijdens de behandeling ter zitting van het herzieningsverzoek hebben verzoekers de indruk gekregen dat mr. Hink niet bereid was naar hun verhaal te luisteren. Hink gaf namelijk al bij de aanvang van die zitting te kennen dat zij alles van verzoekster wist. Verder mocht verzoekster niet voldoende haar verhaal doen. Verzoekers hebben in de zomer van 2016 een klacht ingediend bij de president van de Raad in verband met het (nalatig) handelen van onder meer Hink. Verzoekers hebben uitgelegd bezorgd te zijn dat Hink het onplezierig vindt dat verzoekers tegen haar een klacht hebben ingediend en dat dit haar oordeelsvorming beïnvloedt. Samenvattend vinden verzoekers het niet correct dat het hoger beroep wordt behandeld door een rechter tegen wie een klachtprocedure aanhangig is en van wie verzoekers bovendien vinden dat zij jegens hen bevooroordeeld en niet onafhankelijk is.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de onpartijdigheid van een rechter niet al te lijden heeft, alleen door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin een verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693, en CRvB 4 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3815). De door verzoekers aangevoerde grond dat mr. Hink deel heeft uitgemaakt van de meervoudige kamer die het verzoek om herziening van de uitspraak van 22 oktober 2013 heeft afgewezen, slaagt dan ook niet.

Uit artikel 8:16, eerste lid, van de Awb volgt dat het verzoek om wraking moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. De gestelde bejegening van verzoekster door Hink tijdens de behandeling ter zitting van het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2013 heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Gelet op artikel 8:16, eerste lid, van de Awb zal die grond buiten bespreking worden gelaten.

De president van de Raad heeft in zijn brieven van 14 juli 2016 en 14 september 2016 aan verzoekers meegedeeld dat hun klacht niet in behandeling kan worden genomen. Van een ten aanzien van Hink aanhangige klachtprocedure is dan ook geen sprake. Al om die reden slaagt ook deze grond niet. Het enkele feit dat verzoekers een klacht hebben ingediend, vormt onvoldoende reden om de bij verzoekers bestaande vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid van Hink objectief gerechtvaardigd te achten.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) N. van Rooijen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?