OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als burgerambtenaar bij de [naam dienst] van het [naam centra] in de functie van [naam functie] . Bij besluit van
13 maart 2012 heeft de commandant de functiebeschrijving van [naam functie] vastgesteld. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
Na zijn voornemen hiertoe kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant zijn zienswijze had gegeven, heeft de commandant bij besluit van 9 november 2012 de functie van appellant ingedeeld in schaal 9. Na bezwaar is dit besluit bij besluit van 4 december 2013 (bestreden besluit), conform het advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF) van 16 oktober 2013, gehandhaafd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de bij het besluit van
13 maart 2012 vastgestelde functiebeschrijving uitgangspunt is voor de waardering van de functie. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat het functiewaarderingsonderzoek niet op zorgvuldige of juiste wijze heeft plaatsgevonden. De commandant was niet gehouden de functiewaardering door een extern bureau te laten verrichten, nu er binnen Defensie de nodige expertise op het gebied van het waarderen van functies aanwezig is. Dat een toezegging is gedaan dat een onafhankelijke partij de functie zou waarderen maakt, nog afgezien van het feit dat een dergelijke toezegging niet aannemelijk is gemaakt, evenmin dat de functiewaardering onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732) is de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daar het volgende aan toe.
Het betoog van appellant dat de functiebeschrijving die aan de functiewaardering ten grondslag ligt feitelijk is opgesteld in 2005 en dat bij het functiewaarderingsonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem verrichte werkzaamheden in het verleden, slaagt niet. Wat er ook zij van de gang van zaken in 2005, appellant miskent hiermee het onderscheid tussen functieonderhoud en functiewaardering. In het kader van de thans voorliggende functiewaardering moet worden uitgegaan van de functiebeschrijving van [naam functie] zoals vastgesteld bij besluit van 13 maart 2012.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat er in zijn geval aanleiding is een externe commissie in te schakelen teneinde te komen tot een zorgvuldige functiewaardering. De Raad volgt appellant niet. Appellant heeft in beroep, noch in hoger beroep gronden aangevoerd die zien op de juistheid van een of meer specifieke kenmerken van de functiewaardering. Er bestaan dan ook geen aanknopingspunten een externe commissie in te schakelen. Anders dan appellant heeft betoogd, is de Raad niet gebleken van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging dat zo’n commissie zou worden ingeschakeld.
Tot slot heeft appellant gewezen op de door de CABF in het advies van 16 oktober 2013 gemaakte opmerking buiten het advies in bezwaar om. Deze opmerking komt er kort samengevat op neer dat het bevoegd gezag door de CABF in overweging wordt gegeven de functiebeschrijving meer te beschrijven vanuit de werkelijke situatie en vervolgens na te gaan of dit gevolgen heeft voor de functiewaardering. Deze opmerking kan appellant niet baten. Zoals ook uitdrukkelijk in het advies is aangegeven, betreft dit een opmerking buiten het advies over het bezwaar tegen de functiewaardering om. Aan deze opmerking komt in de onderhavige procedure dan ook geen betekenis toe.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.