Datum uitspraak: 20 december 2016
15/3054 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2014, 14/729 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 4 maart 2016 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 november 2016, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht van 4 maart 2016 heeft de Raad het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald en het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald en het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 8 oktober 2014. Het hogerberoepschrift is gedateerd 27 april 2015. De enveloppe waarin het is verzonden, draagt het poststempel 27 april 2015. Het hogerberoepschrift is op 6 mei 2015 bij de Raad ontvangen.
In het verzetschrift heeft appellante onder meer gesteld dat zij het griffierecht heeft betaald en haar hogerberoepschrift binnen de termijn heeft ingediend.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft haar stelling dat zij het griffierecht heeft betaald niet met stukken onderbouwd.
De Raad ziet ook geen grond voor het oordeel dat appellante niet kan worden verweten dat het hogerberoepschrift niet binnen de gestelde termijn is ingediend. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van het op de enveloppe geplaatste poststempel, tenzij de afzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. De enkele verklaring van appellante dat het hogerberoepschrift binnen de termijn is ingediend, is daarvoor niet toereikend.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) N. Talhaoui
JvC