ECLI:NL:CRVB:2016:4941

ECLI:NL:CRVB:2016:4941, Centrale Raad van Beroep, 22-12-2016, 15/5036 APPA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-12-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/5036 APPA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 6 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002691 BWBR0005537 BWBR0019057

Samenvatting

De schriftelijke weigering van het college van 21 april 2015 houdt niet in de afwijzing van de aanvraag van appellante en is daarom geen besluit beschikking) als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Terechte weigering toekenning dwangsom. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Dwangsom

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, voor ten hoogste 42 dagen aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

De Raad gaat er bij zijn beoordeling van uit dat het besluit van 3 maart 2016 in dit specifieke geval tevens een beschikking inhoudt over de verschuldigdheid van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb.

De schriftelijke weigering van het college van 21 april 2015 houdt niet in de afwijzing van de aanvraag van appellante en is daarom geen besluit (beschikking) als bedoeld in

artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt deze weigering voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wel gelijkgesteld met een besluit. Door deze bepaling wordt zeker gesteld dat in gevallen waarin geen inhoudelijk besluit wordt genomen maar wordt geweigerd om tot een besluit te komen, tegen die weigering dezelfde rechtsmiddelen kunnen worden aangewend als tegen een wel tot stand gekomen besluit (vgl. PG Awb I, p. 281). Het tegen de brief van 21 april 2015 gemaakte bezwaar berust op deze bepaling. De schriftelijke weigering is evenmin een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling is ook geen wettelijk voorschrift over bezwaar en beroep. De Raad ziet echter aanleiding om ook voor de toepassing van deze bepaling de schriftelijke weigering om op een aanvraag te beslissen gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het instrument van de dwangsom bij niet tijdig beslissen ertoe strekt te voorkomen dat het bestuursorgaan niet tijdig handelt naar aanleiding van een aanvraag en in de tweede plaats (ook) de schriftelijke weigering een besluit te nemen een handeling naar aanleiding van een aanvraag is. Nu de wetgever de schriftelijke weigering een besluit te nemen voor de rechtsbescherming heeft gelijkgesteld met een besluit, is er voorts geen reden om deze voor de toepassing van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb niet gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. In het verlengde hiervan moet deze gelijkstelling ook gelden voor de toepassing van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb.

In dit geval is de ingebrekestelling verstuurd na de schriftelijke weigering van 21 april 2015. Het college was op dat moment niet meer in gebreke tijdig te besluiten en is daarom geen dwangsom verschuldigd. Het college heeft dan ook bij het besluit van 3 maart 2016 terecht geweigerd een dwangsom toe te kennen. Het beroep daartegen is ongegrond.

Proceskosten

2. Met het besluit van 15 juni 2016 heeft het college de aanvraag van appellante alsnog ingewilligd. Er is daarom aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 496, - in bezwaar en op € 992,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2016 ongegrond; - veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.488,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P.W.J. Hospel

HD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2017/228 ABkort 2017/15 AB 2017/130 met annotatie van L.M. Koenraad JB 2017/45 USZ 2017/70
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?