OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving als zelfstandige tot 1 juni 2013 een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Op 15 juli 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend om verlenging van zijn uitkering ingevolge het Bbz 2004. Bij besluit van 26 augustus 2013 heeft het college op die aanvraag afwijzend beslist. Appellant heeft zich op 23 september 2013 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met als gewenste ingangsdatum 1 juni 2013.
Bij besluit van 14 november 2013 heeft het college appellant met ingang van
23 september 2013 bijstand ingevolge de WWB verleend.
Bij besluit van 15 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand, ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zich niet eerder voor bijstand ingevolge de WWB heeft gemeld dan op 23 september 2013 en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode die voorafgaat aan de datum van de melding of de aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.
Appellant heeft ter zitting toegelicht dat het college hem de bijstand per 15 juli 2013 had moeten toekennen, de datum waarop hij zijn aanvraag om verlenging van zijn uitkering ingevolge het Bbz 2004 heeft ingediend. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij hangende die aanvraag geen aanvraag om bijstand ingevolge de WWB kon indienen, omdat hij zijn activiteiten als zelfstandige diende voort te zetten zolang nog niet op dat verzoek was beslist.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bijstand wordt in beginsel slechts op aanvraag toegekend en voor iedere specifieke uitkering is een afzonderlijke aanvraag vereist. De wetgever heeft met het Bbz 2004 beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening aan zelfstandigen te bieden. Dit betekent dat aan een persoon die als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 wordt aangemerkt geen bijstand ingevolge de WWB toekomt. Het behoort voorts tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om de inhoud van zijn aanvraag te bepalen.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij na de afwijzing van zijn aanvraag om verlenging van de Bbz-uitkering, op 26 augustus 2013, eerst een afspraak met zijn advocaat heeft gemaakt waarna hij besloten heeft zijn bedrijf uit te schrijven en te beƫindigen. Dat alles heeft enige tijd geduurd. Pas daarna was voor appellant de weg vrij om zich te melden voor bijstand ingevolge de WWB. Gelet hierop was sprake van bijzondere omstandigheden om bijstand te verlenen over een periode die voorafgaat aan de datum van de aanvraag.
Uit de vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6124) volgt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene is om zo snel mogelijk een uitkering aan te vragen teneinde te voorkomen dat hij of zij niet over inkomsten beschikt. Het college heeft er terecht op gewezen dat appellant zich zo spoedig mogelijk na 27 augustus 2013 had kunnen melden voor het indienen van een aanvraag om bijstand. In geval van twijfel had appellant hierover informatie kunnen inwinnen bij het Klant Contact Centrum van de gemeente Delft. Nu appellant een andere keuze heeft gemaakt en eerst andere activiteiten heeft ontplooid, dienen de gevolgen hiervan voor zijn eigen rekening en risico te worden gelaten. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is dan ook geen sprake.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Appellant heeft ten slotte nog betoogd dat in het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van 27 maart 2015, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, ten onrechte is opgenomen dat appellant in de periode van 1 juni 2013 tot en met 22 september 2013 een uitkering ingevolge het Bbz 2004 heeft ontvangen. Volgens appellant is het bestreden besluit daarom onvoldoende gemotiveerd, zodat appellant ook bij een bevestiging van de aangevallen uitspraak recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Appellant wordt hierin niet gevolgd. De zinsnede in het advies betreft een kennelijke vergissing. De situatie dat appellant heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het bestreden besluit te krijgen, doet zich hier niet voor, zodat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat (zie onder meer de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2016.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) J.L. Meijer