OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 1 maart 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).
Bij besluit van 21 juli 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van
1 maart 2011 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij sinds die datum niet meer woonde op het door hem opgegeven adres. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 oktober 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 15 oktober 2014.
Bij besluit van 22 januari 2015 heeft het college de over de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 mei 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 46.215,94 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 17 april 2015 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het besluit van 21 juli 2014 tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 maart 2011 in rechte onaantastbaar is geworden. Daardoor was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden om de over de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 mei 2014 gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, is niet gebleken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank en het college wordt vastgesteld dat tegen het onder 1.2 vermelde besluit van 21 juli 2014 geen beroep is ingesteld. Daarmee is het besluit tot intrekking van de bijstand vanaf 1 maart 2011 in rechte onaantastbaar geworden. Hierin ligt besloten dat een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de intrekking niet meer aan de orde kan zijn. Hetzelfde geldt voor de door appellant in dat verband betwiste schending van de inlichtingenverplichting. Reeds daarom komt aan de door appellant in het geding gebrachte verklaring van zijn vader, die ziet op de aan de intrekking ten grondslag liggende feitelijke woonsituatie van appellant, geen betekenis toe.
Uit 4.1 volgt dat het college gehouden was om op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Appellant heeft aangevoerd dat de terugvordering in strijd is met de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) heeft de zesmaandenjurisprudentie betrekking op wettelijke bepalingen waarin sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Omdat hier sprake is van een verplichting tot terugvordering en niet van een bevoegdheid tot terugvordering, treft het beroep op de zesmaandenjurisprudentie geen doel.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Appellant heeft geen stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat de terugvordering zijn sociale leven ontwricht. Dat het hier gaat om de terugvordering van een aanzienlijk bedrag waarop appellant gedurende lange tijd zal moeten aflossen, vormt op zichzelf nog geen dringende reden als hiervoor bedoeld. Ook de omstandigheid dat appellant net schuldenvrij was toen het college besloot om tot terugvordering over te gaan, levert geen dringende reden op om van de terugvordering af te zien. Daarbij is van belang dat appellant als schuldenaar de bescherming in kan roepen van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en hij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J. Tuit