OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 21 november 2014 heeft het college een aanvraag van appellant van
30 oktober 2014 om bijstand afgewezen, op de grond dat hij geen gehoor heeft gegeven aan oproepen voor een gesprek, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Bij besluit van 4 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2014 gegrond verklaard en aan appellant bijstand toegekend met ingang van 2 oktober 2014 tot en met 9 december 2014. Het college heeft daarbij geweigerd de kosten in bezwaar van appellant te vergoeden, op de grond dat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant stelt dat wel sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en dat de kosten in bezwaar moeten worden vergoed.
4. Bij het nader besluit, voor zover hier van belang, heeft het college het bestreden besluit herzien in die zin dat aan appellant een vergoeding voor de kosten in bezwaar wordt toegekend.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het college is met het nader besluit volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant. Appellant heeft de kosten van bezwaar vergoed gekregen.
Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep niet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt geacht mede te zijn gericht tegen het nader besluit. Het nader besluit wordt dus niet in het geding betrokken.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de kosten in bezwaar, zal wegens het ontbreken van enig resterend procesbelang
niet-ontvankelijk worden verklaard. Het college is immers aan het bezwaar volledig tegemoet gekomen en appellant heeft geen verzoek om schadevergoeding ingediend, zodat geen specifiek aan dit geschil te relateren belang resteert.
In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. In zijn uitspraak van 16 mei 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776) heeft de Raad overwogen dat het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid oplevert. Indien bijvoorbeeld de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid (zie de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397).
Van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij een tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, is niet gebleken.
Het feit dat het college appellant na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, geeft dan ook aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- in beroep en op € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;
- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 169,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.J.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.J.M. van Dalen