OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 14 oktober 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven alleen te wonen op het [adres 1] in Den Haag (opgegeven woonadres). Voorts heeft hij op het aanvraagformulier ingevuld dat hij daar als huurder woont. Op het op 15 oktober 2013 ingezonden elektronisch aanvraagformulier heeft hij als medebewoonster [X.] ([X.]) ingevuld. Over de woonruimte heeft hij vermeld inwonend te zijn bij familie/vrienden. Uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA), thans basisregistratie persoonsgegevens (BRP), blijkt dat naast appellant op het betreffende adres ook [X.] staat ingeschreven en dat inschrijving van een derde persoon in onderzoek is.
Bij brief van 15 oktober 2013 heeft het college appellant verzocht om overlegging van een aantal gegevens, te weten afschriften van alle bankrekeningen van de laatste twaalf maanden en een schriftelijke verklaring waarvan appellant de afgelopen periode heeft geleefd. Bij brief van 14 november 2013 heeft het college appellant medegedeeld dat hij niet volledig aan het verzoek om inlichtingen van 15 oktober 2013 heeft voldaan. Tevens is hem verzocht om een bewijs van betaling van woonlasten en een huurcontract te verstrekken. De huurovereenkomst zelfstandige woonruimte, gesloten tussen [X.] als verhuurster en appellant als huurder en met als ingangsdatum 24 september 2013, is op 21 november 2013 bij het college binnengekomen. Om duidelijkheid te verkrijgen over de woonsituatie van appellant, is op 29 november 2013 door twee medewerkers van de dienst SZW, aansluitend aan een gesprek met appellant op het Werkplein Den Haag Zuidoost (Werkplein), een huisbezoek afgelegd op het opgegeven woonadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een checklist huisbezoeken en een rapport van 12 december 2013.
Bij besluit van 4 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de woon- en leefsituatie ten tijde van de aanvraag onduidelijk is. Op het aanvraagformulier is door appellant ingevuld dat hij alleenstaand is en een zelfstandige huishouding voert op het door hem opgegeven woonadres, terwijl uit de bevindingen van het huisbezoek is gebleken dat onvoldoende aannemelijk is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op dat adres. Nu appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn hoofdverblijf, heeft hij volgens het college zijn inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De hier te beoordelen periode loopt van 14 oktober 2013 tot en met 4 december 2013.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2458) te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfsituatie van de belanghebbende. In het geval van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB ligt het op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats en zijn woonsituatie. Voldoet de belanghebbende niet aan zijn verplichting om daarover juiste en volledige informatie te verschaffen, dan is dat een grond voor afwijzing van de aanvraag, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gegronde twijfel kon hebben of appellant zijn hoofdverblijf had op het opgegeven woonadres, treft geen doel. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. De bij het huisbezoek aangetroffen hoeveelheid persoonlijke spullen van appellant is zeer gering en komt bovendien niet volledig overeen met wat appellant bij zijn gesprek op het Werkplein voorafgaand aan het huisbezoek heeft beschreven. Het ontbreken van persoonlijke correspondentie, met uitzondering van een tweetal brieven, weegt daarbij zwaar. Dat appellant bij de hoorzitting meer aan het opgegeven woonadres gerichte correspondentie heeft laten zien, die betrekking heeft op de te beoordelen periode, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat immers niet om de vraag wat het correspondentieadres van appellant is, maar om de beantwoording van de vraag of appellant op dat adres zijn hoofdverblijf had. Een belangrijke aanwijzing daarvoor is de op dat woonadres ten tijde van het huisbezoek aanwezige correspondentie. Ook de in hoger beroep overgelegde verklaringen van [X.] en van een buurvrouw, die niet zijn gedateerd en evenmin aanduiden op welke periode die verklaringen betrekking hebben, bieden onvoldoende onderbouwing voor het standpunt van appellant.
Dat het college appellant nadien op het opgegeven woonadres wel bijstand heeft verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee is immers niet gegeven dat dit op basis van dezelfde (feitelijke) grondslag is geschied.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C.A.W. Zijlstra