OVERWEGINGEN
Bij besluit van 8 april 2014 heeft het Uwv geweigerd appellante per 6 september 2013 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken wegens arbeidsongeschiktheid door zwangerschap of bevalling. Een afschrift van dit besluit is op 24 april 2014 aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende heeft bij brief van 7 mei 2014, mede namens appellante, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 april 2014. Dit bezwaar is op 9 mei 2014 door het Uwv ontvangen.
Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de voor het indienen van het bezwaarschrift geldende termijn van twee weken en het ontbreken van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in de gelegenheid was tijdig bezwaar te maken. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij besluit van 30 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van belanghebbende, tegen de weigering om aan appellante per 6 september 2013 een
ZW-uitkering toe te kennen, ongegrond verklaard. Een afschrift van dit besluit is op dezelfde dag aan appellante verzonden. Daarbij is aan appellante niet alleen te kennen gegeven dat zij ook beroep kan instellen omdat zij belanghebbende is, maar ook dat indien zij geen bezwaar heeft gemaakt, zij het risico loopt dat haar beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tegen het besluit van 30 juli 2014 is door appellante en door belanghebbende afzonderlijk beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante voorop gesteld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat haar beroep ontvankelijk is en terecht tot een inhoudelijke beoordeling is overgegaan. Appellante kan zich echter niet met de uitspraak verenigen voor zover de rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij, voor zover hier van belang, geen bezwaar heeft gemaakt. Onder het geen bezwaar maken moet mede worden verstaan het buiten de daarvoor geldende termijn bezwaar maken.
Vastgesteld wordt dat appellante tegen het besluit van 8 april 2014 te laat bezwaar heeft gemaakt, dat het bezwaar van appellante bij besluit van 19 juni 2014 door het Uwv
niet-ontvankelijk is verklaard en dat appellante tegen het besluit van 19 juni 2014 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De rechtbank had appellante daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar beroep tegen het besluit van 30 juli 2014, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit van
8 april 2014 ongegrond is verklaard. Nu de rechtbank dat heeft nagelaten, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad appellante niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.I. van der Kris en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) N. Veenstra