ECLI:NL:CRVB:2017:1450

ECLI:NL:CRVB:2017:1450, Centrale Raad van Beroep, 11-04-2017, 16/254 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 11-04-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/254 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703

Samenvatting

Het college was bevoegd tot intrekking bijstand na opschorting. De bankgegevens zijn niet overgelegd.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving laatstelijk vanaf 17 september 2014, samen met zijn echtgenote, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, thans Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 februari 2015 en hem onder andere verzocht afschriften van alle in het bezit van hem en zijn echtgenote zijnde bankrekeningen alsmede bewijzen van opgeheven bankrekeningen mee te nemen. Appellant is verschenen en heeft tijdens het gesprek te kennen gegeven dat hij en zijn echtgenote ieder over Marokkaanse bankrekeningen beschikken die beiden zijn opgeheven. Appellant heeft evenwel geen afschriften of bewijzen van opheffing van deze bankrekeningen overgelegd.

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft het college het recht op bijstand met ingang van die datum opgeschort op de grond dat appellant niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt en appellant de gelegenheid geboden om tijdens een gesprek op 23 februari 2015 het verzuim te herstellen en alsnog afschriften van de laatste zes maanden en bewijzen van opheffing van de Marokkaanse bankrekeningen over te leggen. Het college heeft appellant er in dit besluit uitdrukkelijk op gewezen dat onvoldoende gevolg hieraan geven zal leiden tot intrekking van de bijstand. Appellant is op het gesprek van 23 februari 2015 verschenen en heeft een aantal afschriften van zijn Marokkaanse bankrekening, de Marokkaanse bankrekening van zijn echtgenote en andere stukken in het Frans en Arabisch overgelegd. Bij besluit van

23 februari 2015 heeft het college appellant nog tot 2 maart 2015 in de gelegenheid gesteld om, onder andere, door een beëdigd tolk vertaalde bewijzen van opheffing van de Marokkaanse bankrekeningen over te leggen. Het college heeft appellant er nogmaals op gewezen dat het nalaten om het verzuim te herstellen, zal leiden tot intrekking van de bijstand. Appellant heeft geen nadere of vertaalde stukken overgelegd.

Bij besluit van 12 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 18 februari 2015 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet de gevraagde bewijzen van opheffing van de Marokkaanse bankrekeningen en geen afschriften over de jaren 2014 en 2015 binnen de gestelde hersteltermijn heeft overgelegd en dat hem dat valt te verwijten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 18 februari 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

De door het college bij besluit van 18 februari 2015 aan appellant gevraagde afschriften en bewijzen van opheffing van de bankrekeningen zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant voert aan dat in 2014 en 2015 geen mutaties hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen, dat daarom geen bankafschriften beschikbaar zijn en dat de bankrekeningen uiteindelijk zijn opgeheven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Appellant heeft stukken overgelegd in de Franse en Arabische taal. Deze stukken kunnen echter niet worden aangemerkt als bewijzen van opheffing van de bankrekeningen. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij niet binnen de gestelde hersteltermijn over de afschriften en/of bewijzen van opheffing heeft kunnen beschikken.

Appellant heeft verwezen naar de in beroep bij de rechtbank overgelegde stukken en aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond daarvan het recht op bijstand van appellant kan worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellant aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die hij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellant hierin niet is geslaagd.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 18 februari 2015 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Gelet op 4.5 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. M. Hillen en

mr. M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.A. de Graaff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?