OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 25 oktober 2014 heeft de minister de ouderbijdrage 2014 voor een zoon van appellante opnieuw berekend en voor de maanden november en december 2014 vastgesteld op € 0,00. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft de minister bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit) bij gebrek aan belang ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat de minister, nadat hij had vastgesteld dat appellante geen belang had bij het indienen van een bezwaarschrift tegen het bestreden besluit (lees: het besluit van 25 oktober 2014) het bezwaar van appellante niet‑ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de rechtbank terecht het bezwaar alsnog niet‑ontvankelijk heeft verklaard in verband met het ontbreken van procesbelang.
Volgens vaste rechtspraak (onder meer CRvB van 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
Ter zitting van de Raad is door appellante toegelicht dat vanwege haar familiaire achtergrond haar zoon geen recht kan doen gelden op studiefinanciering en dat om die reden het besluit onjuist is. Haar belang is gelegen in het verkrijgen van een verklaring van de minister dat zij transparant is geweest over haar familiaire achtergrond en dat haar in de toekomst geen verwijt wordt gemaakt dat zij die informatie heeft achtergehouden. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de hoogte van het inkomen waarvan de minister uitgaat, niet juist is.
Appellante heeft voor het eerst ter zitting van de Raad en zonder enige onderbouwing het in het besluit van 25 oktober 2014 genoemde inkomen ter discussie gesteld. Voor zover appellante met haar betoog ter zitting een beroepsgrond heeft willen richten tegen de hoogte van de vastgestelde ouderbijdrage, wordt deze beroepsgrond onbesproken gelaten. Het is in strijd met de goede procesorde om de bestuursrechter en de wederpartij voor het eerst op de zitting te confronteren met beroepsgronden die eerder naar voren gebracht had kunnen worden.
Procesbelang kan niet gelegen zijn in afgifte van de door appellante gewenste verklaring. Het besluit van 25 oktober 2014 gaat niet over het recht van haar zoon op studiefinanciering. Met het besluit is alleen vastgelegd dat appellante op grond van de bij de minister bekende fiscale gegevens over het jaar 2012 niet in staat is om een financiële bijdrage te leveren aan de studie van haar zoon. Het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over het bestreden besluit wordt geheel onderschreven.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, voor zover deze is aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) G.J. van Gendt