ECLI:NL:CRVB:2017:1661

ECLI:NL:CRVB:2017:1661, Centrale Raad van Beroep, 03-05-2017, 15/6779 WMO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-05-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/6779 WMO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

1) Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar in strijd met redelijkheid. Geen twijfel aan de identiteit van betrokkene als afzender van het bezwaarschrift. Ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift werkelijk door of namens de indiener is opgesteld. Geen twijfel, gelet op de aard en bewoordingen van het bezwaarschrift en de bijgevoegde relevante stukken, waaronder bankafschriften. 2) Op grond van de stukken is niet vast te stellen dat betrokkene verleende huishoudelijke zorg in december 2013 heeft betaald uit haar pgb.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft betrokkene bij besluit van 28 augustus 2009 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 10 augustus 2009 huishoudelijke verzorging toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Betrokkene heeft op grond van dit besluit een bedrag van € 5.207,88 aan pgb voor het jaar 2013 ontvangen. Bij besluit van 11 augustus 2014 heeft appellant het besluit van 28 augustus 2009 gewijzigd voor het jaar 2013 in die zin dat aan betrokkene een pgb van € 2.800,- wordt toegekend en de onverschuldigd betaalde voorschotten van betrokkene tot een bedrag van € 2.307,88 worden teruggevorderd. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard. Bestreden besluit 1 berust op het standpunt dat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat een bezwaarschrift moet zijn ondertekend. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid, die haar in een brief van 19 september 2014 is geboden, om dit verzuim te herstellen. Betrokkene heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft in een uitspraak van 21 april 2015 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het verzet gegrond verklaard, het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat PostNL de herstelverzuimbrief op of omstreeks 19 september 2014 aan het adres van betrokkene heeft aangeboden, daarbij geen gehoor heeft gekregen en vervolgens een afhaalbericht heeft achtergelaten. Daarom heeft betrokkene niet de gelegenheid gehad om het verzuim te herstellen, voordat appellant bestreden besluit 1 nam. Het niet-afhalen van de herstelverzuimbrief op het afhaaladres kan in dit geval niet voor rekening en risico van betrokkene worden gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat voldoende blijkt dat de herstelverzuimbrief op het adres van betrokkene is aangeboden en dat deze op verzoek van de ontvanger is overgebracht naar een afhaallocatie. Betrokkene heeft dus kennis kunnen nemen van de herstelverzuimbrief en het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen bestreden besluit 2 heeft appellant het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Appellant heeft het pgb van betrokkene voor het jaar 2013 gewijzigd in een bedrag van € 4.401,28 en een bedrag van € 706,60 aan onverschuldigd betaalde voorschotten van haar teruggevorderd. Bestreden besluit 2 berust op het standpunt dat betrokkene met de stukken die zij in bezwaar heeft overgelegd alsnog het pgb over de maanden januari tot en met april 2013 correct heeft verantwoord, maar dat dit niet geldt voor de maand december 2013.

Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat zij met de in bezwaar overgelegde stukken ook het pgb over de maand december 2013 heeft verantwoord. Zij heeft in het bezwaarschrift abusievelijk vermeld dat het over deze maand betaalde bedrag aan huishoudelijke verzorging op het bankafschrift van 26 juni 2014 staat. Op het bankafschrift van 16 juli 2014 in combinatie met een specificatie van deze betaling is te zien dat een bedrag van € 404,04 is betaald voor zorg op grond van de Wmo. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat dit de betaling over de maand december 2013 is.

Appellant heeft gesteld dat betrokkene dit standpunt niet eerder heeft ingenomen en dat het afwijkt van haar eerdere standpunt. Verder heeft appellant gesteld dat uit het betreffende bankafschrift niet kan worden afgeleid dat hierin een betaling over de maand december 2013 is opgenomen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak

Betrokkene heeft nagelaten om binnen de gestelde termijn een ondertekend bezwaarschrift aan appellant te zenden, zodat appellant in beginsel bevoegd was om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift werkelijk door of namens de indiener is opgesteld. In dit geval is geen aanleiding voor twijfel over de indiening van het bezwaarschrift door betrokkene zelf, gelet op de aard en bewoordingen van het bezwaarschrift en de bijgevoegde relevante stukken, waaronder bankafschriften. Ook overigens heeft appellant desgevraagd in zijn brief van 14 oktober 2016 niet verklaard te hebben getwijfeld aan de identiteit van betrokkene als afzender van het bezwaarschrift. Nu ook verder niet is gebleken van redenen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, was appellant gehouden het bezwaar inhoudelijk te beoordelen.

Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt dan ook, met verbetering van gronden, bevestigd.

Bestreden besluit 2

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, ook in de beoordeling betrokken.

Tussen partijen is (uitsluitend) in geschil of op grond van de stukken is vast te stellen of betrokkene voor verleende huishoudelijke zorg in december 2013 heeft betaald uit haar pgb. Uit de gedingstukken blijkt dat niet. Op een bankafschrift van 16 juli 2014 staat dat betrokkene een bedrag van € 2.828,04 heeft overgemaakt aan de Sociale verzekeringsbank. Volgens betrokkene is een gedeelte van € 404,04 van dat bedrag, loon over december 2013 voor haar zorgverlener. Betrokkene heeft ter onderbouwing van dat standpunt een specificatie bijgevoegd. Deze specificatie ziet op de maand juni 2014 en vermeldt dat het bedrag van

€ 2.828,04 bestaat uit een component ‘salaris Wmo’ van € 404,04 en een component ‘verrekening’ van € 2.424,-. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene met deze stukken niet het pgb over de maand december 2013 heeft verantwoord, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat de betaling van € 404,04 ziet op deze maand.

Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

7. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep voor de procedure met zaaknummer 15/6779 WMO. Deze kosten worden begroot op € 990,- aan verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) N. van Rooijen

JvC

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABKort 2017/151 NJB 2017/1095 USZ 2017/264 met annotatie van M. Koolhoven JB 2017/127 met annotatie van J.H. Keinemans JIN 2017/185 met annotatie van J.H. Keinemans
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?