OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als klusjesman voor 12 uur per week toen hij zich op 15 november 2011 ziek meldde. Op dat moment ontving hij eveneens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 12 november 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van machinaal metaalbewerker, wikkelaar/samensteller, besteller post/pakketten, magazijn, expeditiemedewerker en parkeercontroleur te vervullen. Vanaf 12 november 2013 heeft hij weer een WW-uitkering ontvangen.
Appellant heeft zich op 24 oktober 2014 ziek gemeld wegens klachten voortkomend uit een schildklieraandoening. Naar aanleiding van die ziekmelding is hij in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant heeft enkele malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Naar aanleiding van het spreekuur van 2 april 2015 heeft de verzekeringsarts appellant per 7 april 2015 geschikt geacht voor het vervullen van de functie van wikkelaar/samensteller. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2015 vastgesteld dat appellant per 7 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 augustus 2015 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in het standpunt dat de in beroep door appellant ingebrachte informatie van zijn behandelaars en de door hem gebruikte medicatie geen aanleiding vormen voor de conclusie dat de mate en de ernst van de medische situatie van appellant niet juist zou zijn ingeschat.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen zijn klachten en beperkingen hebben onderschat. Daartoe heeft hij gesteld dat hij gediagnosticeerd is met de ziekte van Graves en deze schildklieraandoening bij hem moeilijk te reguleren is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant opnieuw verwezen naar de informatie van zijn behandelend artsen en een rapport van 8 januari 2016 van Best Doctors ingezonden. Appellant heeft betoogd dat beide verzekeringsartsen slechts een beperkt lichamelijk onderzoek hebben verricht. Appellant heeft verder gewezen op zijn psychische klachten en op een brief van de oogarts uit 2010 waaruit blijkt dat appellant fotofobie heeft. Gelet op deze fotofobie en zijn medicijngebruik is appellant van mening dat hij niet in staat is het werk in de functie van wikkelaar uit te voeren.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
Naar aanleiding van de ziekmelding van 24 oktober 2014 is in het rapport van de verzekeringsarts van 29 december 2014 vermeld dat uit schildklieronderzoek is gebleken dat appellant de ziekte van Graves heeft. In het rapport zijn als klachten weergegeven: “gewrichtsklachten, spierpijnen, gejaagdheid en afvallen. Client heeft ook last van dubbelzien c.q. wazig zien”. Verder heeft de verzekeringsarts klachten van linkerknie, heup en schouder vermeld en genoteerd dat de gang moeizaam is met krukken en appellant een zeer gejaagde en onrustige indruk maakt. In zijn rapport van 19 februari 2015 heeft deze verzekeringsarts vermeld dat medische informatie van de internist is ontvangen en dat de aandoening van appellant gepaard kan gaan met vermoeidheid en algemeen onwelbevinden. Hij heeft de ziekmelding plausibel geacht. Het beloop van de behandeling, die vermoedelijk een jaar zal duren, zal moeten worden afgewacht. De behandelaar verwacht in de komende maanden een stabiele situatie. De verzekeringsarts heeft in het rapport als prognose: een wezenlijke verbetering van de medische situatie binnen drie maanden vermeld.
Op 2 april 2015 is appellant door een andere arts van het Uwv gezien. Op het spreekuur heeft appellant een grote gewichtsafname gemeld, evenals aanhoudende vermoeidheidsklachten en leverfunctiestoornissen. Hij is door de internist voor nader onderzoek verwezen. Hij is snel vermoeid. Ook deze arts heeft in een rapport van 2 april 2015 vermeld dat de schildklieraandoening langdurig vermoeidheidsklachten en gevoelens van onwelbevinden kan geven, dat appellant door verschillende behandelaars is gezien, hij adviezen opvolgt en medicatie gebruikt maar de klachten niet verdwijnen. Op basis van het dossier, het spreekuur, het opgetekende dagverhaal en de informatie van de behandelend arts van 30 januari 2015 die ook verwacht dat de klachten geleidelijk zullen afnemen na het instellen van de medicatie, heeft de arts geconcludeerd dat appellant weer voldoende belastbaar is om in het eerder geduide werk als wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, te functioneren.
Appellant heeft tijdens de hoorzitting van 5 augustus 2015 opnieuw een groot aantal klachten, waaronder moeheid en algehele malaise vermeld en daarbij meegedeeld dat aanvullend onderzoek door zijn behandelend arts is voorgesteld. Na eigen onderzoek en bij gebreke van nieuwe medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder vermelding dat de schildklier inmiddels met medicatie goed is geregeld, geconcludeerd dat er geen reden is een andere afweging te maken over de geschiktheid van appellant voor het vervullen van de functie van wikkelaar.
Dit standpunt kan niet worden gevolgd, omdat dit is gebaseerd op een onvoldoende feitelijke grondslag. Anders dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overwogen blijkt niet dat de schildklieraandoening goed is geregeld. Bij de beoordeling in december 2014 en februari 2015 was daarvan geen sprake. In februari 2015 is weliswaar de verwachting van de behandelend arts vermeld dat verbetering zal optreden maar latere informatie, die bevestigt dat dit ook het geval is, is er niet. Uit het rapport van de arts van het Uwv van 2 april 2015 blijkt niet dat de situatie is verbeterd ten opzichte van februari 2015, wat niet verwonderlijk is omdat de periode die naar verwachting nodig zou zijn voor verbetering nog maar half was verstreken. Hoewel appellant in bezwaar zijn aanhoudende klachten heeft herhaald, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen nadere informatie ingewonnen over het beloop van de ziekte. Uit het rapport van R.P.H. Raaijmakers, arts-onderzoeker en
dr. C.P. Bleeker-Rovers, internist-infectioloog, naar wie appellant was verwezen, van 11 augustus 2015, is als conclusie onder meer vermeld dat sprake is van een moeilijk in te stellen Graves. De reactie daarop van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 29 september 2015 dat kennelijk geen sprake is van een onhoudbare situatie omdat de medicatie niet is gewijzigd, kan niet als een afdoende reactie worden gezien om daarop de conclusie te handhaven dat appellant terecht hersteld is verklaard. Het lijkt er veeleer op dat de aanvankelijk in februari 2015 verwachte verbetering nog niet was bereikt wegens de nog immer voortdurende instabiliteit van de schildklierwaarden. Ook de conclusie in het rapport van Best Docters van 8 januari 2016 over de symptomen en lichamelijke bevindingen in verband met de ziekte en de daarmee geassocieerde auto-immune manifestaties en de aanbeveling daarbij voor aanvullende onderzoeken en definitieve behandeling van de hyperthyreoidie bieden daarvoor steun.
Uit 4.3 volgt dat de medische beoordeling die aan de beëindiging van het ziekengeld ten grondslag ligt op een onvoldoende feitelijke grondslag is gebaseerd, zodat deze de conclusie niet kan dragen dat appellant weer geschikt was voor de in aanmerking komende arbeid. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat de overige gronden die appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd geen bespreking behoeven.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd omdat het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten. Gelet op wat is overwogen over de nog niet gestabiliseerde situatie van appellant ten tijde van het besluit van 2 april 2015 wordt aanleiding gezien toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, derde lid sub b, van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit van 2 april 2015 zal worden herroepen onder bepaling dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit. Gevolg daarvan is dat appellant ook per 7 april 2015 recht heeft op ziekengeld.
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, totaal € 2.970,-
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.C. Bruning en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2017.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) M.S.E.S. Umans