OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellanten zijn vreemdelingen als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak hadden op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
Bij brief van 14 januari 2014 hebben appellanten het college verzocht hen tot de gemeentelijke opvang toe te laten of hen een uitkering, op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dan wel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toe te kennen.
Het college heeft deze aanvragen bij besluit van 17 maart 2014 buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college de aanvragen van appellanten alsnog inhoudelijk behandeld. Voor wat betreft de aanvraag op grond van de WWB heeft het college deze onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
19 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1992, afgewezen. Indien voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Voor wat betreft de aanvraag op grond van de Wmo heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in het geval appellanten zorgdragen voor minderjarige kinderen zij gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van opvang in een gezinslocatie. Indien het verzoek tot opvang uitsluitend appellanten betreft kunnen appellanten − na een keuring door de GGD − tot de gemeentelijke opvang worden toegelaten. Appellanten hebben echter aangegeven geen gebruik te willen maken van de gemeentelijke maatschappelijke opvang.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor wat betreft de toepassing van de WWB heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3599, waaruit volgt dat indien voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 EVRM, daaraan niet met toepassing van de WWB gestalte wordt gegeven. In het kader van de Wmo heeft de rechtbank overwogen dat de uitsluiting voor de WWB niet tot gevolg kan hebben dat in de kosten van huisvesting en levensonderhoud wordt voorzien op grond van de Wmo. De stelling van appellanten dat de gemeentelijke maatschappelijke opvang voor hen geen adequate voorziening is, treft geen doel nu appellanten al op voorhand te kennen hebben gegeven daarvan geen gebruik te willen maken en het college om die reden de precieze vorm van de te bieden maatschappelijke opvang ook niet nader heeft bepaald.
3. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het eerst ter zitting door de gemachtigde van appellanten ingenomen standpunt dat het college in strijd met het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen verweerschrift heeft ingediend, waardoor sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM kan de Raad niet volgen. De Raad wijst in dit verband nog op zijn uitspraak van 16 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8018, waarin is geconcludeerd dat indien het bestuursorgaan in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb geen verweerschrift heeft ingediend, de Awb hieraan geen gevolgen verbindt. Niet kan worden geoordeeld dat appellanten in hun verdediging zijn geschaad.
Naar vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar zowel in het bestreden besluit als in de uitspraak van de rechtbank is verwezen, kan indien voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, daaraan niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven.
Ook wat betreft de toepassing van de Wmo verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft hij de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellanten hebben op voorhand aangegeven dat zij geen gebruik willen maken van de gemeentelijke opvangvoorzieningen. Dat deze voorzieningen voor hen ontoereikend zouden zijn is niet gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2017.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans