OVERWEGINGEN
Aan betrokkene is op haar aanvraag van 21 september 2012 met ingang van
1 september 2012 een zogeheten eenoudertoeslag toegekend. De toekenning van de toeslag is in 2013 en 2014 voortgezet.
Bij besluit van 12 december 2014 heeft appellant de aan betrokkene toegekende eenoudertoeslag herzien en volledig van betrokkene teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene, anders dan op het aanvraagformulier is vermeld, een partner heeft.
Bij besluit van 4 februari 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het tegen de herziening en terugvordering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat is gebleken dat de partner van betrokkene in 2014 foto’s op Facebook heeft geplaatst waarop hij samen met zijn bij betrokkene wonende dochtertje te zien is. Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uit dit gegeven blijkt dat betrokkene en haar partner niet duurzaam gescheiden leven en dat het ongeloofwaardig is, gezien de vele foto’s, dat de partner van betrokkene in Irak verblijft. Subsidiair heeft hij gesteld dat, ook als zou worden aangenomen dat de partner van betrokkene in Irak verblijft, evenmin sprake is van duurzaam gescheiden leven, omdat betrokkene en haar partner noodgedwongen niet bij elkaar wonen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 12 december 2014 herroepen. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit enkel gebaseerd is op de omstandigheden dat betrokkene is gehuwd, zij samen met haar echtgenoot een kind heeft en de echtgenoot samen met het kind te zien is op foto’s op zijn Facebookpagina. Betrokkene stelt dat deze foto’s die op 21 januari 2014 op Facebook zijn geplaatst, zijn gemaakt in december 2011, toen haar echtgenoot nog in Nederland verbleef. Verder heeft zij gesteld dat haar echtgenoot op 25 januari 2012 is teruggekeerd naar Irak, omdat zijn verblijfsvergunning niet was verlengd en aan hem een inreisverbod is opgelegd voor de duur van vijf jaar. Betrokkene heeft (een kopie van) een verklaring van de Gemeentelijke Raad van de Provincie van [plaatsnaam] van 10 februari 2015 overgelegd, waarop is vermeld dat de echtgenoot een inwoner is van [plaatsnaam] . De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een onvoldoende feitelijke grondslag berust om aan te kunnen nemen dat in de periode in geding sprake was van een situatie waarin betrokkene niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Weliswaar kan, gezien de foto’s op de Facebookpagina van de echtgenoot, niet op voorhand worden uitgesloten dat de echtgenoot in de periode in geding in Nederland is geweest, maar gelet op de gemotiveerde ontkenning van betrokkene dat haar echtgenoot in Nederland woont, had het op de weg van appellant gelegen om nader onderzoek te verrichten.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de toezichthouders in dienst van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geen wettelijke bevoegdheid hebben om ten aanzien van de rechtmatigheid van de (verstrekking van een) toeslag eenoudergezin onderzoek te doen en geen middelen hebben om een nader onderzoek te doen als bedoeld in de aangevallen uitspraak. Naar het oordeel van appellant blijkt uit de gegevens op Facebook dat de echtgenoot van betrokkene is teruggekeerd uit Irak, zodat geen sprake is van gescheiden leven van betrokkene en haar echtgenoot. Subsidiair heeft appellant gesteld dat niet is gebleken dat betrokkene en haar echtgenoot niet in een ander land dan Nederland hadden kunnen gaan samenwonen, zodat om deze reden geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Daarbij heeft appellant verwezen naar de uitspraken van de Raad van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6630 en 8 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1092.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een eenoudergezin toegekend. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt verstaan onder partner: partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir (tekst 2012) bepaalt dat partner van de belanghebbende is de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in de genoemde uitspraak van 8 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1092, is voor de uitleg van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ beslissend het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960, RSV 1960/67, waarin betreffende dit begrip is overwogen:
“dat een gehuwde vrouw geacht moet worden duurzaam gescheiden van haar echtgenoot te leven (…), indien ten aanzien van haar en haar echtgenoot de toestand is ingetreden, dat, na de door beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt, als ware hij niet met den ander gehuwd, en deze toestand voor hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld;
dat evenzeer een gehuwde vrouw als duurzaam gescheiden van haar echtgenoot levend moet worden aangemerkt, indien de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beide echtelieden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voorzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in dien toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen;.”
Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Van een daadwerkelijk beletsel als bedoeld in het tweede deel van de in 4.2 weergegeven criteria om de samenwoning aan te vangen en/of voort te zetten is naar het oordeel van de Raad niet gebleken. Weliswaar bestond voor betrokkene en haar echtgenoot tijdelijk geen mogelijkheid in Nederland samen te leven, maar dat betekent niet dat die samenwoning niet elders had kunnen worden aangevangen of voortgezet. In zoverre dient de verbreking van de samenwoning te worden beschouwd als eigen keuze, en kan dus niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de echtelijke samenwoning daadwerkelijk belette, als bedoeld in het eerste deel van de onder 4.2 genoemde criteria. Voorts stelt de Raad vast dat evenmin sprake is geweest van een situatie als bedoeld in het eerste deel van de onder 4.2 genoemde criteria, nu niet gebleken is van een door een van beiden gewilde en als bestendig bedoelde verbreking van de echtelijke samenleving.
Wat is overwogen in 4.2 en 4.3 betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.S.E.S. Umans