OVERWEGINGEN
Appellant is in 1989 aangesteld bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting (PI) [naam PI], laatstelijk in de functie van [functie A] (functiegroep: inrichtingswerker).
Na twee eerdere periodes van arbeidsongeschiktheid is appellant op 12 september 2012 opnieuw vanwege psychische klachten uitgevallen. Per 1 januari 2014 heeft de minister appellant in het kader van diens re-integratie tijdelijk gedetacheerd bij Rijkswaterstaat in [plaatsnaam].
Bij besluit van 11 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2015, heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de minister verplicht tot doorbetaling van het loon van appellant tot 6 oktober 2015 op de grond dat de minister niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Tegen het besluit van 18 februari 2015 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Naar aanleiding van de beslissing op bezwaar van het Uwv heeft de minister bij besluit van 29 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2015 (bestreden besluit), de detachering van appellant bij Rijkswaterstaat beëindigd en appellant met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) voor de duur van een half jaar per 1 juni 2015 geplaatst in de functie van [functie B] in de
PI [naam PI 2], locatie [locatie].
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd wegens schending van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft betoogd dat de minister niet bevoegd was om hem met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR tijdelijk te plaatsen in de PI [naam PI 2], locatie [locatie], omdat vaststond dat hij niet kon terugkeren in zijn eigen functie bij de PI [naam PI]. Dit betoog slaagt niet. Anders dan appellant meent, kan artikel 58, eerste lid, van het ARAR ook worden toegepast in de situatie dat de betrokken ambtenaar na het verrichten van tijdelijke werkzaamheden niet terugkeert in zijn eigen functie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:BJ0648). De uitspraken van 29 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3890, en van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2668, waarop appellant een beroep heeft gedaan, leiden niet tot een ander oordeel.
Voor zover appellant, subsidiair, van opvatting is dat de tijdelijke werkzaamheden als [functie B] in de PI [naam PI 2], locatie [locatie], hem redelijkerwijs niet konden worden opgedragen, deelt de Raad deze opvatting om de hierna volgende redenen niet.
Zoals uit 1.4 blijkt, heeft de minister het besluit van 29 april 2015 genomen naar aanleiding van de ongegrondverklaring van het bezwaar van de minister tegen het loonsanctiebesluit van het Uwv. Die ongegrondverklaring is gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 2 februari 2015 en de arbeidsdeskundige B&B van 17 februari 2015. De verzekeringsarts B&B zag geen reden af te wijken van het oordeel van de ‘primaire verzekeringsarts’ dat appellant niet volledig geschikt is voor zijn eigen werkzaamheden te [naam PI], maar die werkzaamheden wel op een andere locatie kan verrichten. De arbeidsdeskundige B&B zag geen aanleiding voor een andere conclusie dan die van de ‘primaire arbeidsdeskundige’, inhoudend dat de re-integratie-inspanningen van de minister onvoldoende waren. De Raad is van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten zijn inspanningen ten aanzien van spoor 2, de detachering bij Rijkswaterstaat, te beëindigen en zijn inspanningen te richten op spoor 1, bestaande uit een tijdelijke plaatsing in de functie van [functie B] in de PI [naam PI 2], locatie [locatie]. Hierbij is van belang dat de minister heeft gesteld, en appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, dat er voor appellant geen structurele mogelijkheden waren voor een plaatsing bij Rijkswaterstaat. Verder is van belang dat de hiervoor genoemde medische en arbeidsdeskundige rapportages geen aanknopingspunt bieden voor de conclusie dat de tijdelijke werkzaamheden in de functie van [functie B] in de PI [naam PI 2], locatie [locatie], en aldus buiten de PI [naam PI], appellant redelijkerwijs niet konden worden opgedragen. Er is, mede gelet op de rapportages, geen grond om aan te nemen dat deze werkzaamheden met het oog op de duurzame re-integratie van appellant niet zijn aan te merken als passende arbeid. Dit geldt te meer nu het een functie in dezelfde functiegroep betreft. Voor zover appellant heeft gesteld dat er ook op de locatie [locatie], evenals in [naam PI], een ‘Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting’ was en hij dus, net als in [naam PI], gewoon als groepswerker in plaats van [functie B] had kunnen re-integreren, heeft de minister erop gewezen dat op de locatie [locatie] geen functie van groepswerker voorhanden was. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval was. Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt - dit blijkt evenmin uit voornoemde rapportages - dat er medische beperkingen voor het reizen naar de locatie [locatie] waren. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat hij op de locatie [locatie] nooit een eerlijke kans zou hebben gekregen. De overplaatsing was erop gericht de re-integratie van appellant voort te zetten om uiteindelijk tot volledig herstel en tot een definitieve herplaatsing in een passende functie te komen.
Ook de stelling dat de minister geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en zonder overleg tot het besluit van 29 april 2015 is gekomen, treft geen doel. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister, naar aanleiding van het in bezwaar gehandhaafde loonsanctiebesluit en met het oog op de duurzame re-integratie van appellant, niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Verder heeft appellant ervan afgezien in te gaan op de uitnodigingen voor gesprekken op 16 en 18 maart 2015 over de re-integratie en het door appellant ervaren conflict.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) W.A.M. Ebbinge