OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 15 mei 2014 (bestreden besluit), waarbij het Uwv zijn besluit van 3 maart 2014 tot weigering om terug te komen van zijn rechtens onaantastbaar geworden besluit van 14 augustus 1989 heeft gehandhaafd. Bij dit laatste besluit had het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en/of Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen per 20 september 1989. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad (uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1), dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking moet worden beoordeeld naar zijn strekking. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige verzoek terecht aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989. Nu gesteld noch gebleken is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ten tijde van het nemen van het besluit van 14 augustus 1989 niet bekend waren noch konden zijn, kon het Uwv volgens de rechtbank in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid om de aanvraag van appellant op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijzen.
2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij sinds september 1988 ziek is en dat hij daarna niet meer heeft kunnen werken wegens zijn ziekte. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit volgens hem dan ook ten onrechte geweigerd om een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.
3. De Raad komt tot de volgende overwegingen.
Appellant heeft bij brieven, gedateerd 10 november 2013 en 31 december 2013, het Uwv verzocht om zijn aanvraag om een WAO-uitkering opnieuw te beoordelen omdat hem destijds wel ziekengeld is toegekend maar vervolgens geen arbeidsongeschiktheidsuitkering, terwijl hij destijds ziek was en nog steeds ziek is. Ter onderbouwing heeft hij in bezwaar stukken ingediend die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 14 augustus 1989 evenals een certificat medical van dr. A. Abouhafs, gedateerd 9 mei 2014. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat deze stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die zien op de datum in geding van 20 september 1989.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft opgevat als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb en dat het Uwv dit verzoek terecht heeft aangemerkt als verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 14 augustus 1989.
Artikel 4:6 van de Awb luidt als volgt:
“1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3131) onderschreven en de daarin onder 3.2 tot en met 3.7 gegeven overwegingen overgenomen. Dit houdt in dat – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit heeft gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Met juistheid heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, onderschreven. De in bezwaar ingezonden stukken waren grotendeels ten tijde van het oorspronkelijke afwijzingsbesluit van 14 augustus 1989 reeds bekend. Uit de verklaring van Abouhafs, gedateerd 9 mei 2014, blijkt enkel van de medische noodzaak van enkele weken rust in de maand mei 2014. Hieruit blijkt niet dat de medische toestand van appellant op de datum in geding van 20 september 1989 is onderschat. De pas in beroep overgelegde (medische) informatie, die voorafgaand aan de beslissing op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend was kan, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad, niet in de beoordeling in (hoger) beroep worden betrokken. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, niet juist is.
Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant in het onderliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Gelet op het onder 3.2 tot en met 3.6 overwogene slaagt het hoger beroep van appellant niet.
4. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant is geen grond.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) L.H.J. van Haarlem